THE BAND



Het moet een hels karwei zijn geweest. De zwanenzang van The Band op 25 november 1976 - het afscheidsoptreden met vele gasten voor 5000 toeschouwers - vastleggen op plaat. Het vijf uur durende evenement in Winter land, San Francisco, kon nooit op een elpee, niet op twee en ook niet op drie.
Er moesten keuzes worden gemaakt en daarom sneuvelden prachtige staaltjes popmuziek. De luisteraar kon dat toen niet bevroeden, want die kreeg in 1977 alleen het eindproduct te horen: drie elpees met als titel The Last Waltz.
25 jaar na dato is de techniek zover dat we allang niet meer praten over vinyl maar over cd's, een veel kleiner schijfje maar dat wel veel meer minuten muziek kan herbergen. Daar heeft samensteller en voormalige Bandgitarist Robbie Robertson gebruik van gemaakt. De nieuwe uitgave telt vier cd's met in totaal 54 muziekstukken, 24 meer dan er op de oorspronkelijke uitgave staan.
De extraatjes behelsen liedjes van de gedenkwaardige muziekavond, jamsessies en wat oefeningen vooraf. Dit alles heeft Rhino/Warner vervat is een mooi vormgegeven box, inclusief 78 pagina's tellend boekwerk met fraai fotomateriaal.
Niet dat het `nieuwe` materiaal er allemaal toe doet: we horen een saaie versie van Four Strong Winds van Neil Young en ook de jamsessies zijn niet altijd even spannend. Van de andere kant; hoe lang zal er destijds niet vergaderd zijn om klassiekers als The Weight, This Wheel`s On Fire en All Our Past Times (met Eric Clap ton) te schrappen. Hetzelfde geldt voor Caldonia met blueslegende Muddy Waters. `Vergeten` is Robertson trouwens Georgia On My Mind, gezongen door pianist Richard Manuel, die halverwege de jaren tachtig zelfmoord pleegde.
De eerder genoemde Muddy Waters is een van de vele muziekhelden op The Last Waltz. Waarvan er trouwens opval lend veel nog steeds toe doen. Neil Young is al gememoreerd. Verder Joni Mitchell die nog steeds aan de top staat in singersongwritersland, Van Morrison en Bob Dylan idem (present met `nieuw` nummer Hazel), de immer actieve Emmylou Harris die een groot voorbeeld is voor jong countrytalent en soms horen we ook nog wat nieuws van gitaarheld Eric Clapton en de extravagante troubadour Dr. John (van wie een vrolijke oefenversie van Such A Night `nieuw` is).
The Band niet, die was op. De voormalige begeleiders van Bob Dylan, die ons klassiekers schonken als Music From Big Pink en The Band, namen een moedig besluit door te stoppen op het absolute hoogtepunt. Waardoor de echo van deze grote band altijd zal blijven door klinken.
DEAD BROTHERS


Het overkomt me niet vaak, maar nu dus wel; een cd waar ik niet goed raad mee weet. Dead Brothers uit Zwitserland zijn de schuldigen met hun cd Day Of The Dead. Ze presenteren zich op de website van platenstal Voodoo Rhythm (Clear Spot) als 'The one and only funeral orchestra along with Tuba and Top Hat, Banjo and Drums and guitar'. Dat levert dus een bont-bizarre plaat op waarop blues, polko, chanson en andere rootsvormen hand in hand gaan, al dan niet gezongen en afgewisseld met een weirde geluidscollage. Moedig zijn ze wel, deze vijf Zwitsers die net zoveel respect betuigen voor Hank Williams, de Alpentuba, Birthday Party, The Cramps (hoor de donkere cover Human Fly) en Kurt Weil. Voor Dead Brothers is muziek gewoon muziek en daar doen ze mee wat ze willen. Met dit ongrijpbare plaatje als resultaat. Alt Country NL neemt zijn hoed af voor Day Of The Dead, maar kan zich helaas geen fan noemen.
CORNDADDY


Better Days is de tweede cd van country-popband Corndaddy. Ik herinner me nog hun eerste cd, die niet briljant klonk, maar wel zijn goede momenten had. Better Days is niet een geweldige sprong vooruit, hoewel de start best aardig is met de titeltrack. Eerst meen je dat Hank Williams een verbond heeft gesloten met The Beatles. Maar gaandeweg de rit schift het geluid steeds meer op richting roots met rockinvloeden. Jud Branam en Kevin Brown zijn de liedjesschrijvers en zij zorgen ook voor de vocalen die bijster sterk zijn, evenals de soli op gitaar die vaak houterig worden gespeeld. Toch schudt Corndaddy nog enkele aardige tunes uit de hoed, te weten de eerder gememoreerde titeltrack, de midtempo song vol country Delaware, de strakke countryrocksong Big Wheels (met sterke samenzang) en het instrumentaal sterke Gwendolina. Maar dat is het dan ook wel zo'n beetje. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
BETH NIELSEN CHAPMAN


Van de diensten van songschrijfster Beth Nielsen Chapman wordt graag gebruik gemaakt in countryland. Vraag dat maar eens aan Willie Nelson, Trish Yearwood, Nanci Griffith en Emmylou Harris. Geen wonder dat de groten iets terug willen doen. Zo horen we op haar nieuwe cd Deeper Still (Sanctuary) bijdragen van John Hiatt, John Prine, Bonnie Raitt, Vince Gill en Emmylou Harris. Een countryplaat wil ik het beslist niet noemen. Het is eerder goed verzorgde pop met tikkeltje roots en rock en dan tamelijk gladgestreken en met een hoog Kerstballen-gehalte. Dat maakt deze cd voor mij wat moeilijk te pruimen, maar de fans zullen vast niet zonder Deeper Still kunnen. En blijft dit - toegegeven - een wat magere recensie voor Alt Country NL-begrippen. Het zij zo, ik ga zo meteen buiten genieten van de zon en dan wil ik wat anders door de koptelefoon horen...
PIETA BROWN



Pieta Brown put uit dezelfde bron zo'n beetje als Leslie Woods (zie volgende recensie). Maar eerst iets over Brown persoonlijk. Ze is de dochter van Greg Brown, die ons regelmatig trakteert op een lekker rootsalbum en dat al enkele denennia lang. Bo Ramsey, nog een goede bekende, zat achter de knoppen en speelt mee op haar titelloze debuut, waaraan verder nog enkele gerenommeerde muzikanten meedoen: Don Heffington, Rick Cicalo, Steve Hayes en pa Brown dus. De songs zijn vaak ingetogen of maximaal midtempo, maar nimmer uitgelaten. Het geeft het geheel een bepaalde somberte, die past bij titels als Lullaby, Without You, Bury Me en Don't Turn Away. Haar stem is aantrekkelijk en komt in de buurt van zowel Sheryl Crow (On the Edge) als Melissa Swingle (Go Down To Memphis). De sound is folk, country, bluesy en roots (cajun) met een spooky touch. Ja, ja Alt Country weet de woorden vandaag verdraaid goed te vinden. Het lijkt een wat lome plaat, maar voor het eind heeft deze talentvolle nieuwkomer je gegrepen, omdat ze groeit gedurende de rit. Voor de liefhebbers van net een tikkeltje anders is Pieta Brown your lady. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
LESLIE WOODS


Velvet Sky (eigen beheer) luidt het debuut van Leslie Woods uit Knoxville. Met acht tracks zit het schijfje in tussen een mini- en een gewone cd. Net of ze wil zeggen: voor het echte grote werk ben ik nog niet klaar. Het zijn breekbare liedjes die ze de lezer voorschotelt, veelal akoestisch en alt country, ver weg van Nashville in ieder geval, met hier en daar wat bluegrass (Baby Mine). Vergelijkingen met Kelly Hogan en Neko Case zijn eerder al gemaakt wat niet zozeer duidt op overeenkomsten in stemgeluid, maar veel meer op de eigenzinnige wijze van liedjes pennen. Qua geluid - folky-desolaat - neigt Woods eerder richting Gillian Welch. Velvet Sky is geen vrolijke plaat; duidelijk is dat de zangeres de demonen van zich af heeft willen schrijven. Anders kom je niet tot een tekstregel als:
I am in love and you're just killing time in my bed (I'm On Fire, highlight)
Maar er is nog hoop zingt ze op eindtune Lullaby:
The good things in life are mine
Verkrijgbaar via Miles Of Music
16 Horsepower



Een tijdje terug kwam David Eugene Edwards met een soloplaat en het leek een sprekende 16 Horsepowerplaat. Nu is hij terug met zijn band en lijkt het warempel de soloplaat, die we vorige keer van de charismatische frontman verwachtten. Folklore (Munich) is wederom een donkere plaat, misschien wel de meest donkere tot nu toe. Als vanouds is het hypnotiserende karakter van de muziek, veroorzaakt door repeterende riffs en niet in de laaste plaats door de indringende huil-klaagstem van entertainer Edwards. Toch is er een duidelijk verschil met de vorige producties. Dit keer geen muzikale erupties, maar veel meer sferische schetsen - met weinig toegankelijke teksten, maar die wel passende gevoelens oproepen. Het opmerleijke frivole Single Girl, een cover van Carter Family, halverwege koppelt beide helften aan elkaar, die vooral midtempo en slow zijn, met vooral de banjo en de cello in de hoofdrol. De accoerdeon horen we pas nadrukkelijk op de vreemde afsluiter, het cajunachtige La Robe A Parasol. De geheimen van Edwards en Co. heb ik dit keer niet kunnen doorgronden. Daarom dit: Folklore is een passende sfeerplaat bij een druilerige zomer. Maar het wachten is toch op een gure herfst, dan gedijt 16 Horsepower het allerbeste. Ofwel: Folklore moet nog rijpen.
HARDPAN



Hardpan - in oktober op Take Root - is een gelegenheidsformatie bestaande uit de singer-songwriters Todd Thibaud, Terry Lee Hale, Joseph Parsons en Chris Burroughs. Op 10 september vorig jaar kwamen ze bij elkaar bij Burroughs thuis in Tucson, Arizona, voor tien dagen muziek maken en opnemen. Een dag later vonden de aanslagen plaats met honderden doden. Hardpan (Blue Rose/Sonic Rendezvous) liet zich niet uit het veld slaan; de vier muzikanten werkten de volgende dagen als bezetenen aan hun plaat. Met als nobele gedachte dat terrorisme de muze nooit mag overwinnen. Hulde voor deze makkers, die een sfeervolle, gevoelige cd hebben gemaakt, met veel puurheid, zowel muzikaal als tekstueel. De dertien liedjes zijn goed verdeeld over de vier. Dat betekent automatisch dat zich nogal wat verschillende stijlen aandienen, die wonderwel toch bij elkaar passen. En dat komt omdat ze noodgedwongen de liedjes tijdens gezamenlijke sessies hebben moeten spelen en daarmee een soort van groepsgevoel creerden. Niettemin is hoorbaar wanneer Thibaud een liedje zingt (minder pop dan anders), Hale (denk jaren zestig), Burroughs (donkere rock), of Parsons (de troubadour). Een slecht nummer heb ik niet kunnen vinden, uitschieters naar boven meerdere: de bijdragen van Hale (met name Bad Luck Hand), Carry Us Away van Parsons en het knisperende slotnummer van Thibaud met muziek van alle vier. Wees erbij in Assen op 4 oktober - het wordt genieten met deze ware vertolkers van rootsmuziek.
KERRI POWERS



You, Me and A Redhead (Safe House/Sonic Rendezvous) is sprankelende titel van het overtuigende debuut van Kerri Powers, die opzien begint te baren in Americana-land. Een originele plaat is het in ieder geval, mede vanwege haar stem, zeg maar een kruising tussen Bonnie Raitt en Mary Gauthier. Gezegend met een snelle, vloeiende pen neemt dit nieuwe talent uit Boston bovendien geen blad voor de mond; of het nu gaat om een ex een trap onder de kont te geven of om te verhalen over gevoelens van jaloezie - ja, Powers weet hoe je een boodschap overbrengt. En dat doet ze met veel gevoel voor drama. Hoor de jammerklacht van Daddy Don't Fall Down over haar imaginaire (?) vader die al 32 electriciteitsmasten in- en uitklimt voor zijn werk, terwijl dochterlief doodsbenauwd is dat hij een keer omlaag tuimelt. Of de roadsong F-150 waarop Powers sarcastisch zingt dat ze liever rondrijdt in haar kar (de F-150) dan bij haar man te zijn
"I love this old truck more then I love my man''.
Bijtend is ook de tune Don't Tell Me waarop Powers zingt dat ze zich door niemand de les laat lezen, en al zeker niet door een non die meent te moeten zeggen welke stukken ze moet spelen. En de zangeres met veel twanggevoel durft in haar eigen ziel te kijken, zoals ze begeleid door een weemoedig klinkend accordeon zingt op Hard Road I Ride:
"I am reckless, wild and foolish, hard to live with"
De elf liedjes op haar debuut dist ze smaakvol op, niet zozeer met rockende gitaren, maar veel meer met sfeervolle arrangementen in folk-, blues- en countrystijl, passend klinken bij haar immer overtuigende boodschappen. Van Kerri Powers gaan we nog veel horen - Alt Country NL heeft gesproken.
LAURA MINOR



We hadden al een tijdje niks meer gehoord van Hightone, jullie weten wel, een van de country/rootslabels bij uitstek in Amerika. Wel, er hangt een nieuwe vrucht aan de rijkelijk gevulde boom: Laura Minor. Salesman's Girl (Sonic Rendezvous) heet haar debuut dat een opmerkelijke voorgeschiedenis kent. Miss Minor had er allerhande baantjes op zitten toen ze een jaar en een beetje geleden Jared Flamm ontmoette, een singer-songwriter uit New York. Laura zong een tune met hem (Gram Parson's Return of The Grievous Angel). Twee dagen later schreven ze samen hun eerste lied: Rust Of The Carolinas, hier als eindtune opgenomen. Ze had de smaak te pakken. Haar teksten voor een poeziebundel herschreef ze tot songteksten en kort daarna had ze een deal bij Hightone. Mooi sprookje, nietwaar, maar wel echt gebeurd. Laura Minor koppelt de bron (country) aan eigentijdse, radiovriendelijke popmuziek, waardoor haar liedjes traditioneel-fris klinken, en niet zelden doen denken aan mannelijke collega's als Tom Petty (American Girls), die het genre al langere tijd beproeven. Om bij de vrouwelijke liedjesmakers te blijven; met haar licht-hese stem kon ze de zus zijn van Trish Murphey. Muzikaal overtuigt ze, en zo ook tekstueel. Maar goed dat ze die 80 poeziepagina's had bewaard, ze zijn een prima bron voor liedjes als Salesman's Girl - over haar vader die als vertegenwoordiger hard moest werken voor weinig geld. Haar debuut is dan ook een eerbetoon aan haar zwoegende vader of anders gesteld: over dromen die niet verwezenlijkt kunnen worden. Tenzij je dochter bent van een salesman, natuurlijk.
JOE FOURNIER



Raw Sugar Shed (Dusty Records) luidt de titel van de Canadese rootszanger Joe Fournier. En de plaat klinkt precies als de titel aangeeft rug, scherp met de geur van het platteland. Het lijkt wel alsof Canada de dienst uitmaakt in rootsrockland. Na Kyp Harness, Fred Eaglesmith en Steve Relff is er nu dan Fournier, die dit plaatje helemaal in zijn eentje heeft volgespeeld, mede vanwege kostenbesparingen. Toch klinken de twaalt tunes alsof er een band aan het werk is. Het is een ruige, romantische storytellingplaat met vanzelfsprekende titels als Must've Been on Drugs, Country Music's Gone To Hell, New Girl In Town, Johnny Cash Plan (vrolijk eerbetoon) en When I Quit My Drinkin' (verslingerd aan de fles). Mij grijpt deze eigenzinnig-traditionele singer-songwriter vooral wanneer hij extra peper in zijn songs stop, zoals op All About Irene (rootsrock), Susan Love Jake (idem) en So Satisfied (rockabilly). Minpuntje: tussen de geweldige liedjes af en toe een dipje. Maar met een beetje support van fans en media moet deze Joe Fournier in staat zijn aan te haken aan het succes van Fred Eaglesmith.
RETO BURRELL



Reto Burrell is de oudere broer van Coal, die een stukje naar beneden besproken wordt. Beide rootsrockers uit Zwitserland komen met een sterk album voor de dag. Klinkt Coal meer roots dan pop, bij grote broer Reto is dat precies andersom. Zijn meezingliedjes op Shaking off Monkeys (Blue Rose/Sonic Rendezzvous) doen denken aan het beste werk van Todd Thibaud, en dat wil zeggen nimmer ophoudende melodierijke liedjes met catchy refreintjes, verpakt in veel gitaren en een swingende ritmesectie. Misschien telt het vervolg van zijn superieure debuut teveel liedjes van hetzelfde soort, want qua opzet doen ze sterk aan elkaar denken. Dat dwingt de luisteraar tot een nadere beluistering, en dan vallen de nuanceverschillen voldoende op. Hier een tempowisseling, daar een strijkertje of een rockende gitaar extra en ergens anders wat meer ritme, wat minder tempo of een climax aan het eind en met een fraai introvert moment helemaal aan het eind in de vorm van een lovesong (Amy, Amy). Ik draaide deze cd voornamelijk tijdens het beklinkeren van het terras en de uitputting erna, zittend op een stoeptegel met een paar flessen bier erbij. Voordat ik er erg in had was het half elf en zei de cd-speler opnieuw repeat voor Reto Burrell.
RICK SHEA & BRANTLEY KEARNS



Dave Alvin deed het voor met Public Domain, waarmee hij een Grammy won. Gitarist Rick Shea is een van zijn vaste begeleiders, die samen met violist Brantley Kearns (Dwight Yoakam, Dave Alvin) een eigen versie doet van oude liedjes in een nieuw jasje.Trouble and Me (Tres Pescadores Records/Sonic Rendezvous) bevat twaalf folktunes, originals, covers en traditionals. Zo is er een tune van Blind Lemon Jefferson (Black Snake Moan), waarop Alvin eventjes meedoet op gitaar. Trouble Over Me is van Harlan Howard, maar meer bekend van Buck Owens en Loafer's Glory is een klassieker van de Carter Family. Maar goed, de bekende liedjes passen wonderwel bij de zelfgepende nummers. Voor dat coherent geluid zorgen klasbakken van muzikanten als David Jackson, James Cruce, Chris Gaffney, Don Heffington en Greg Leisz. Maar het mooiste is toch wel de kruisbestuiving tussen de folgerichte Kearns en de toch meer countryachtige Shea. Het geeft de cd extrra muzikale kleur. Waarmee ze zoiets willen zeggen als: Oh Brother is nog lang niet over. Verkrijgbaar via Miles Of Music
DAVID ZOLLO



The Big Night (Trailer Records) van David Zollo is net als de nieuwe van JW Roy een echte verfladder-cd. Ja, een verfladder-cd beste luister- en leesvrinden, je weet wel zo'n plaatje dat vanzelf de ladder laat heupwiegen als onderwijl de structuurverf tegen de muren spat. Dat was het aangename van drie weken verhuizen; heerlijke muziek laten galmen door de nieuwe hut, zonder de druk van een stukje hoeven te schrijven. Goed, we zijn onderhand drie weken later, dus dat stukje moet er onderhand wel komen. Die Zollo is een rasartiest van de oude stempel, zoals je ze tegenwoordig niet veel meer hoort. We horen southern rock, in combinatie met Frankie Miller en de Stones ten tijde van Sticky Fingers. Die sound schotelt deze rocker uit Iowa ons voor op tien heerlijke nummers. En Zollo weet te doseren. Na ruige schuurpapierrock komt er een gevoelige ballad (de titeltrack), om vervolgens weer de gitaren te laten knallen (Get Away, een cover van Bo Ramsey en Gevin Gordon) en rocken (You're Gonna Get What You Wanted). En zo heupwiegde de verfladder zich door het huis. En het resultaat? Om de vingers bij af te likken. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
COAL



Coal is het pseudoniem van Rene Burrell, het broertje van de Zwitserse singer-songwriter Reto Burrell. Laatstgenoemde heeft ook zojuist een nieuwe plaat uit - maar daarover later deze week meer. Nu draait het even om Coal, die na JW Roy bewijst dat Europeanen beslist oer-Amerikaans kunnen klinken. Op Workin' Man horen we hem met de begeleidingsband van zijn broer (producer hier) lekker in het gehoor liggende rootsrock spelen, nauw verwant aan het werk van Steve Earle, Bruce Springsteen, Jack Ingram en Chris Knight. Op de bijsluiter lees ik dat Coal pas twintig jaar is en sinds vijf jaar liedjes schrijft. En dat is best opmerkelijk. Weinig van zijn leeftijdgenoten geven zich over aan traditionele muziek. Bovendien klinkt deze Zwitser, met nog niet al te veel gruis op de stembanden, opvallend volwassen, mede door intelligent-gedoseerd te strooien met violen (Workin' Man) en Hammond (Scarred Boy). Op dit debuut horen we hem als storyteller (Billy Brown, A Honky Tonk Tale) ), dromer (Bells Rings Wrong) en de onvermijdelijke romanticus (She's A Beauty Queen, Easy Life). Op zijn best is hij wanneer hij lekker ontspannen country kopelt aan folk en rock, zoals op het springerige Gentle. Enig minpuntje is dat de teksten soms dramatiek missen en als hij het dan probeert klinkt het een tikkeltje overdreven. Maar hey - deze countryrockkid is pas 20. Hij heeft nog een leven te gaan. De flessen whiskey en de road gaan hem nog ver brengen. Ben trouwens benieuwd hoe zijn broer het gaat doen...
TIM O'BRIEN


SONGS FROM THE MOUNTAIN



Alt Country NL meldt zich vanaf de verfladder. De muren krijgen een forse lik, terwijl de cd-machine zich waagt aan twee nieuwe Sugar Hill-producties: de nieuwe van Tim O'Brien (Two Journeys) en Songs From The Mountain, een ode aan de Appalachen-sound door dezelfde O'Brien (gitaar, viool, banjo), nu samen met Dirk Powell (viool, banjo en piano) en John Herrmann (banjo, mandoline). Laatstgenoemde cd borduurt voort op de successen van Oh Brother Where Art Thou en Grammy-winnaar Dave Alvin. De traditionals voeren terug naar 1700 of daaromtrent toen immigranten uit Ierland en Engeland de oversteek maakten naar Carolina. En die Keltische invloed is duidelijk hoorbaar in een superieur tempoliedje als Backstep Cindy of de typische a capella folktune Fair Margaret And Sweet William. Mooi om te horen is waar Gillian Welch haar klaagzang toch vandaan heeft - van de oeroude bergen natuurlijk, en dat 300 jaar later. Muziek is tijdloos, zo bewijst Sugar Hill met deze fraaie conceptplaat...
Two Journeys van Tim O'Brien sluit naadloos aan op Songs from The Mountain. De voormalig member van Hot Rise geldt is een gerenommeerd solist op mandoline, hetgeen hij hier wederom bevestigt. Zijn vorige cd, The Crossing, was O'Briens eigen interpretatie van Ierse folksongs. Zijn nieuwe werkstuk ligt in het verlengde daarvan. Wederom koppelt hij Nashvile, waar O'Brien woont, aan zijn Keltische voorouders, zoals bijvoorbeeld op de veelzeggende tune, en hoogtepunt, Me And Dirk's Trip to Ireland. En dat doet O'Brien met een stel uitstekende muzikanten om zich heen, zoals daar zijn: drummer Kenny Malone, bassist Dennis Crouch, gitarist Darrell Scott, fiddler Kevin Burke (The Bothy Band), accordeonist John Williams en vocaliste Karan Casey. Het zijn de vertrouwde folkklanken die we horen, inclusief een vleugje cajun op de titeltrack en met mandoline/fluitversie van Norwegian Wood van The Beatles als aangename verrassing. O ja, What Does The Deep Sea Say staat er ook op. Bill Monroe nam de traditional als eerste op in de jaren dertig. Dave Alvin deed het hem na op Grammy-plaat Public Domain, en nu is er dan de meer oorstrelende versie van Tim O'Brien in duet met Karan Casey. 'Mooi gedaan, mooi gedaan', klinkt het vanaf de verfladder...
CHOOGLIN' (Tribute to the songs of John Fogerty)



In de jaren zeventig speelde het gemiddelde coverbandje minstens twee liedjes van Creedence Clearwater Revival. Korte tijd later was CCR not done anymore.Zo verandert de tijdgeest constant. Wie nu CCR zegt denkt aan progressieve popmuziek met een ruw randje. De liedjes van John Fogerty gaan er nog altijd in als koek. Dren Records uit Philadelphia heeft dat goed begrepen. Muzikant/producer Niall Hood heeft zeventien muziekgezelschappen bereid gevonden een liedje te spelen van John Fogerty. Dat de naam van de voorman expliciet wordt genoemd op de hoes en niet die van CCR heeft alles te maken met lijkenpikkerij waar Fogerty de overige bandleden nu al enkele decennia lang van beschuldigt. Hood heeft er echt een indie-productie van gemaakt en dat betekent dat niet louter is gekozen voor de kassuccessen. Ze zijn er wel, maar niet overdreven veel. Mark McKay en Scott Murawski doen een Crazy Horse-achtige uitvoering van Who'll Stop The Rain, Meredith Och & The Damn Lovers spelen een zweverige versie van Hey Tonight en persoonlijke favoriet Frog Holler speelt mijn favoriete tune, Have You Ever Seen The Rain, en doen dat wondermooi in alt countryvorm met een beetje Byrdsgitaren. En tegen het eind horen we Born in The Bayou in een hypnotische versie van The Weisstronauts en The Mary Janes met Bad Moon Rising in Appalachen-outfit. Mooi is verder dat dit schijfje enkele favoriete bands bevat. Gingersol doet heel mooi Up Around The Band, Big Silver mijmert op Wrote A Song For Everyone en Star CIty pakt licht-psychedelisch uit met Penthouse Pauper. Nog een highlight: Run Through The Jungle door Gringoman die de stem van Fogerty het dichtste benadert. Goed, zeventien stuks staan er op. Mooi plaatje, en voor de fans van CCR beslist verplichte kost. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
JAY BENNETT & EDWARD BURCH



Het is nog te vroeg te zeggen wie het grootste genie achter Wilco was. Is dat Jay Bennett die de band onlangs heeft verlaten, of overblijver Jeff Tweedy? Ook zonder Bennett blijft Wilco overeind, zo toont de laatste cd aan, dus ben je geneigd te denken Tweedy. Van de andere kant: Bennett is tegenwoordig solo (met Edward Burch) en komt op de proppen met een hele sjieke plaat die weliswaar heel close is met Wilco, alleen toegankelijker. Zit hem daar de crux van de 'split'? Dat Tweedy experimenteler wil zijn, terwijl Bennett meer popgericht muzikant is? Het zou best kunnen. Niet dat de multi-instrumentalist zich er met makkelijke drie-akkoorden-liedjes vanaf maakt, verre van dat. Net als bij Wilco zit hem de verrassing in de vele lagen met afzonderlijke melodielijntjes die handig aan elkaar geknutseld worden. Dat levert een rijk en avontuurlijk geluid op, dat niettemin (zeker in het begin) makkelijk in het gehoor ligt, makkelijker in ieder geval als Wilco anno 2002. Met die flitsende liedjes pakt Bennett de luisteraar in die vervolgens vanzelf meewandelt op de vele zijpaden. Op The Palace At 4Am (Part 1), zoals de cd heet, krijgen Bennett en Edward Burch nog zo'n multi-instrumentalist - trouwens muzikale steun van onder andere de hele Wilco-clan, except Tweedy. John Stirratt pompt de bas, Max Johnston (nu The Gourds) speelt banjo en Ken Coomer (uit Wilco gezet, door Tweedy??) roffelt met de stokjes. Conclusie: wie van Jeff Tweedy houdt, houdt ook van Jay Bennett.
LOS LOBOS



Beste allroundband ter wereld, schreef ik een tijdje terug. Directe aanleiding vormde het verschijnen van de box met het verzameld werk van Los Lobos. Van de met vreugde gespeelde Mexicaanse volksmuziek (tex-mex) bij de start, naar de kruidige rootsrock van How will the wolf survive en de experimenteerdrang van Kiko. Op Good Morning Aztlan (Mammoth) gooit de band uit East LA haar muzikale voorkeuren en kunsten op een hoop. Op de twaalf nummers horen we ciepe soul, stevige rock, swingende latin, zwierige Mexicaanse tonen en oude blues. En mogen we concluderen dat na bijna 30 jaar de drie-eenheid nog steeds op volle toeren draait: David Hidalgo schittert op gitaar, Steve Berlin laat zowel Hammond als saxofoon gloeien en Cesar Rosas is gewoon pure soul. Trendy is de nieuwe cd van deze Chicano's allerminst, eerder tijdloos. Want wie zowel Mexicaanse voorvaderen, Sam Cooke, Jimi Hendrix als ook Elvis in zich heeft zal niet snel vervelen. De muzikale dadendrang, wars van commerciele bijbedoelingen, houdt Los Lobos okselfris en daarom zal deze band er tijdens het gouden jubileum over pakweg twintig jaar nog steeds toe doen.
GREY DELISLE



Nachtegaaltje nummer twee van dit jaar. Na Tift Merritt is het de beurt aan Grey DeLisle uit Californie. Wat een stem heeft de onlangs in het huwelijk getreden zangeres toch. Helder, krachtig en met een mooi timbre. Welhaast fluisterend trapt ze af, waarna ze haar Mexicaanse afkomst tentoonspreidt op het zwierige Usted, gevolgd door het absolute prijsnummer: Beautiful Mistake. Wat een countrysong is dat - Tammy Wynette-waardig (met een beetje verbeelding hoor je Stand By Your Man). ''The most beautiful mistake I once made was you'', galdert ze poetisch. De variatie zet ze door op de rest van deze overtuigende tweede cd. De titeltrack, Homewrecker, is pure rock 'n roll, Dead Cat zompige stadsmuziek en bittersweet is het duet met Murry Hammond, Showgirl (I'm Sorry). Vervolgens schakelt ze over op populaire tonen. Frozen In Time is meer pop dan rock, terwijl dat bij The Hole precies andersom is. Het is het mindere deel van de cd, maar gelukkig sluit Grey Delisle in stijl af met muziek uit vervlogen tijden. Allereerst horen we 'tWas her Hunger, een sober toongezette cover van Anny Celsi (waar ik meer over wil weten) en het nog kalere, prachtige sluitstuk Ferris Wheels and Freakshows. En daarmee is Homewrecker besproken. Grey Delisls heeft willen demonstreren wat ze allemaal in huis heeft. Dat is veel, maar bij een volgende keer volstaat voor mij een mix van country en zuidelijke zwier. Daarin is ze het beste. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
SHAWN SAHM


Dit is een heimwee-plaatje. Doug Sahm is al een tijdje niet meer, maar bij het beluisteren van de debuut-cd van zoon Shawn meen je warempel de oude bard aan het werk te horen. Je gaat ook meteen vergelijken. Ja, dat riedeltje op accordeon (Who's To Blame Senorita), dat zou Doug ook zo gedaan hebben. En die melodie op midtempo-tune One And Only kon pa wel verzonnen hebben. Maar we horen dus zijn zoon met een heel stel gastmuzikanten, onder wie Augie Meyers, Flaco Jimenez, George Rains, Johnny Perez en...Doug Sahm dus. Pa schreef trouwens twee van de twaalf nummers: de klassiekers Stoned Faces Don't Lie en Her Dream Man Never Came. Zoon Sahm, zijn stem lijkt op die van zijn vader, schotelt de luisteraar een mix voor van bluesy tunes (Barn House Blues), rock (Mama's Out Rockin'), zwierige zuidelijke noten (Suspicious Eyes), vrolijke texmex (Who's To Blame Senorita) en dampende rootsrock (Bullet Proof Skin). Kortom, volop variatie, niet allemaal top maar wel onderhoudend, en voor de liefhebbers van wijlen Doug Sahm helemaal geen gek plaatje.
HEATHER MYLES



In de mannenwereld hebben we Dale Watson en Roger Wallace, bij de vrouwen is Heather Myles de vertegenwoordigster van pure countrymuziek. En dat laat ze horen op het nummer Nashville's Gone Hollywood, waarop we haar horen verzuchten dat de jaren van Merle Haggard en George Jones in Nashville ver achter ons liggen. Het is een heimwee-tune van een artieste, die niet wil wijken voor commercie, maar die de bron trouw blijft. En dat doet ze heel proper op Sweet Talk & Good Lies (Rounder/CRS), zoals de titel luidt van haar nieuwe cd. Op dertien tunes bewandelt ze zo'n beetje het hele countryidioom, begeleid door rasmuzikanten die de countrycvoice perfect aanvoelen en weten wanneer een jankende steelgitaar nodig is of wanneer de gitaar een rockaccent mee moet krijen. Of wanneer Mariachi-trompetten nodig zijn, zoals op Little CHapel, een duet met Dwight Yoakam. Het perfecte moment trouwens om vervolgens over te schakelen op een slowtune (By The Time I Get To Phoenix), waarna een fruitig liedje met swinggitaar volgt (One Add Only Lover). Die gitaar wordt trouwens bespeeld door Bob Gothar, die vaker goed op dreef is. Goed, in een nachtclubachtige sfeer sluit Myles haar muzikale kunnen af. Het was me een genoegen haar te horen.
BILL MALLONEE & VIGILANTES OF LOVE



Wie Resplendent (Audibly Live) (Startled Chameleon) hoort, die weet precies waarom vorig jaar op Blue Highways de vonk niet echt oversprong bij Bill Mallonee & The Vigilantes of Love. Hij trad toen op in een akoestische setting, waardoor de kracht van veel liedjes verloren ging. Resplendent is is live-cd met gelukkig wel veel elektrische gitaren die rocken, gespeeld door Mallonee en Kenny Hudson Jr. De band wordt aangevuld met Jacob Bradley op bas en Kevin Heuer op drums en samen zijn ze verantwoordelijk voor een wrvelwind op het podium. Want wat gaan ze toch tekeer. Af en toe hebben ze zelfs moeite om het tempo van reli-rootsrocker Mallonee te volgen. De opnamen dateren van 1999, op tour in Engeland. Een aangename verrassing is dat het merendeel van de elf tracks bestaat uit liedjes van de toen nog niet verschenen prachtplaat Audible Sigh (Productie: Buddy Miller). Zo zijn daar Nothing Like A Train, Goes Without Saying, Extreme North Of The Compass, Hard Luck & HEart Attack, Could Be A Lot Worse, Good Luck Charm, Resplendent en Starry Eyed, afgewisseld met oudjes als Struggleville. Zelf heb ik deze krachtige liveplaat op repeat gedraaid tijdens een schilderbeurt in huis. De kwast ging vanzelf een stukjes sneller. Bill Mallonee, tegenwoordig solo, een betere workmate kun je je niet wensen. P.s. vergeet de hidden track (Solar System) niet.
THE STEVENS SISTERS



Steve Earle bracht me naar de bluegrass. Hoe zoet de boodschap vaak ook mag klinken - instrumentaal gezien is het superieure country als de magie er maar is tussen dobro, mandoline, banjo en viool. Neem The Stevens Sisters, die op het binnenhoesje van Little By Little (Rounder/CRS), hun tweede cd, poseren met Dolly Parton. Dat zit wel snor, denk je dan. Het repertoire is typisch bluegrass, dus met covers. Dat doen bluegrassers nu eenmaal graag; plukken van anderen en er dan iets eigens van maken. Zoals we de ballad Thuesday's Gone van Lynyrd Skynyrd vertaald horen in een midtempo tune, met jankende viool. Beth en April Stevens verzorgen samen de krachtige vocalen vol tranen en laten zich muzikaal ondersteunen door tal van gerenommeerde instrumentalisten zoals Sam Bush (viool, mandoline), Gary Davis (gitaar), Al Perkins (dobro), Byron House (bas), Bobby Hicks (viool) en Larry Atamunuik). Enig minpuntje dat de zusjes de nadruk te veel leggen op de liedjes en niet zozeer op driftig gesoleer. Het is er wel, alleen wat minder dan gehoopt. O ja, Dolly Parton. die is er niet alleen voor de foto, die zingt ook mee. Op het door haar zelf gepende ballad I'll Never Say Goodbye, waardoor de tranentrekker wel een erg droevige klankkleur krijgt en bijna over de top dreigt de gaan. Maar dat zetten de sisters meteen recht met Those Words We Said, een liedje vol vaart met de mandoline als aanjager. Goed zo zusjes; zo hoort bluegrass te klinken.
THE NEW PORNOGRAPHERS




Neko Case - een persoonlijke favoriet - zit in dit bandje, dus moest ik dit plaatje horen. The New Pornographers noemen ze zich (naar het boek Music: The New Pornography van televisie-evangelist Jimmy Swaggart) en hun cd Mass Romantic (Matador Records). Het is nauwelijks voorstelbaar dat dit allegaartje aan muzikanten tijdens spaarzame ontmoetingen toch zo'n indrukwekkend homogene cd hebben kunnen maken. De songschrijvers Carl Newman en Dan Bejar krijgen de steun van filmmaker Blaine Thurier en de muzikanten John Collins, Kurth Dahle en Case dus, die enkele keren de vocalen doet. Net als The Bigger Lovers grijpen The New Pornographers terug op allerlei invloeden uit het verleden, beginnend met The Beach Boys, en van daaruit via punk en jaren tachtig naar het heden. Dat levert een spectaculaire bonte kermis op, die geen moment verveelt. Prachtige koortjes, frisse wendingen, gekke bliebjes, knallende gitaren en lo-fi-tonen vullen de twaalf gedreven liedjes, die niet zelden radio-potentie hebben. The Strokes met een diepere dimensie, Blur met extra peper of hoe je het ook noemen mag; zo worden popplaten nog maar zelden gemaakt.
GREG BROWN



52 jaar is inmiddels tweevoudig Grammy-genomineerde Greg Brown, die twintig albums op zijn naam heeft staan en die in de jaren tachtig nog een song zag belanden op een plaat van Santana. Pas de laatste jaren dringt zijn naam vaker door aan deze kant van de plas, hetgeen ermee te maken heeft dat de cd's van zijn platenstal Red House Records door de komst van internet hier makkelijk verkrijgbaar zijn. In thuishaven Iowa speelt hij steevast voor een uitverkochte zaaltjes, en een beetje van zijn populariteit zou best deze kant op mogen komen. Brown is zo'n artiest die doet wat hij moet doen en zich reet aantrekt van wat anderen daar nou vinden. Zo nam hij na een uitgebreide tour een jaar vrijaf. Bezinning. Dat is ook wat zijn nieuwe cd, Milk Of The Moon (Red House Records), uitstraalt. Samen met zijn vaste partners Pete Heitzman (gitaar) en Karen Savoca (zang) en enkele gastmuzikanten strooit hij twaalf persoonlijk getinte luisterliedjes uit over de luisteraar. Pijn en hartstocht vertaalt hij overtuigend met zijn donkere vertelstem in folk, country, met af en toe rock en blues. Alleen de verdwaalde weirde noten van het slome The moon Is Nearly Full - vervormde stem, omgeven met slidegitaar - mengen zich niet met de rest. Het is het enige minpuntje, al zal de eigenzinnige singer-songwriter daar beslist anders over denken.
TIFT MERRITT




De meningen over Tift Merritt op Blue Highways waren verdeeld. De een vond het maar niks, terwijl de ander superlatieven te kort kwam. Typisch de reacties op een artiest die gehypt wordt - zie Ryan Adams. In dit geval sluit ik me aan bij de positivo's, want ik vind dat Tift Merritt gezegend is met de beste en meest frisse countrystem van dit moment. Geen irritante snik, maar een kraakheldere voice waarmee ze zowel lief kan fluisteren als krachtig uithalen. En liedjes schrijven hoor, dat kan ze als de beste. De druk was groot. Grote platenmaatschappijen trokken aan haar, terwijl ze in feite niet meer dan een single had gemaakt met haar band The Carbines en een (prachtige) mini-cd met Two Dollar Pistols. Zelf vond ze vond dat ze nog niet klaar was voor het grote werk, dus hebben we een paar jaar moeten wachten op haar echte debuut. Ethan Johns (Ryan Adams) tekende de voor de productie en dat betekent dat country wordt gekoppeld aan een niet opdringerig, maar eerder vertrouwd klinkend pop/rockgeluid, dat de liedjes lucht geeft. De sprankeling is hoorbaar vanaf de aftrap met Trouble Over Me, een sleutelnummer. Bramble Rose (Lost Highway) gaat over de onzekerheid van een jonge vrouw die niet goed weet te kiezen. Goh, ze wil de jongen wel op Trouble Over Me, maar hij moet wel niet met de handen aan haar zitten. En op zondag (Sunday) moet niemand haar lastig vallen, want 'sunday is nobody's business', zingt ze. En wat wilde Merritt graag weg uit North Carolina, totdat op een morgen de zon haar kamer binnenviel en ze de rust had gevonden. Nee, ze hoeft helemaal niet het grote avontuur te zoeken; met North Carolina is ze tegenwoordig tevreden. Deze boodschappen vervat ze in elf gevarieerde melodierijke liedjes die handig aan elkaar zijn gekoppeld, zodat afwisselend countrytonen en rockaccenten voorbij komen, met telkens die prachte kraakheldere stem als middelpunt. Slechte nummers staan er niet op, prijsnummers des te meer: het eerder gememoreerde Trouble Over Me, de opbeurende countryklassieker Diamond Shoes (a la Gram Parsons), het onbezonnen Sunday en het melodierijke Virginia, No One Can Warn You. Tift Merritt heeft mijn hart gestolen