TRAILER PARK CASANOVAS


Trailer Park Casanovas uit Hollywood lijkt me beslist een feestband die je moet gaan zien in de dorpskroeg. Maar een plaat maken, da's andere koek. Ik ga So Charmin' (El Toro Records/Sonic Rendezvous) hier niet echt afzeiken, want daarvoor hebben de countryrockers toch het hart teveel op de goede plaats zitten. Als ze voluit gaan - zoals op grote delen met countryrock, rockabilly, snufje bluegrass en desertrock, dan klinken ze behoorlijk fris en avontuurlijk. Maar zodra het allemaal serieuzer wordt met slow tunes en er mooi gezingen moet gaan worden, dan valt op dat de stem van Robert Lopez gewoon te weinig karakter heeft en zap je snel door. Het dieptepunt blijft bewaard tot het laatst, en dan doel ik op Feel Like Makin' Love, een cover van Bad Company. Het rocknummer zal het in de kroeg ongetwijfeld goed doen, maar is op plaat storend en daarom absoluut overbodig. Scheelt ze een veulentje.
THE BE GOOD TANYAS






Een van de vele platen die er doorheen dreigden te glippen. De cd komt uit, net op het moment dat er al zoveel uitkomt. Vervolgens ga je weer verder, en voordat je het weet ben je ze vergeten: The Be Good Tanyas. Goed dat iemand mij eraan herinnerde (dank je wel Ronald! beloning volgt!) Een damestrio uit Vancouver (Canada), opgericht in 1999, piepjong dus nog. Mij doen ze op hun debuut-cd Blue Horse (Nettwerk Productions) denken aan Gillian Welch vanwege het oergevoel dat de muziek uitstraalt. Noem het alt country, maar net zo goed kunnen we zeggen een mix van folk, country, blues en een vleugje jazz. Samantha Parton (gitaar, vocals, mandoline, banjo) Frazey Ford (gitaar, vocals) en Trish Klein (elektrische gitaar, banjo, vocals) vullen de liedjes niet te royaal, maar wel treffend met hun instrumenten en hun voorbeeldige samenzang. Minpuntje is wel dat er gaandeweg een lichte verzadiging optreedt. Maar goed - ze zijn in ieder geval niet vergeten.
WILL RIGBY


Drummer Will Rigby (The dB's, Steve Earle, Matthew Sweet, Laura Cantrell) trekt weer eens de stoute schoenen aan. Paradoxaholic (Diesel Only/Sonic Rendezvous) luidt de titel van zijn tweede solo-cd. Dus horen we vriend Will niet alleen drummen, maar ook zingen. Toegegeven, hij heeft een beetje een zeikstemmetje dat niet bij alle liedjes past, maar zijn tunes zijn vaak helemaal niet slecht, alleen al vanwege de gedrufdheid die hij tentoonspreidt. Zo piept en kraakt de rock van Samamaranda, horen we sterke pop op Get Away Get Away, heeft de pop van het cynische This Song Isn't Even About You een lekker psychedelisch tintje (waarbij zijn stem wel volledig tot zijn recht komt), tikt de roots lekker weg op Got you Up My Sleeve, schakelt hij speels over op de opgewekte tempotune Midas Beige en ondergaat hij warempel een verjongingskuur op het Strokes-achtige If I can't Be King. Alleen als het op echt zingen aankomt - Leanin' On Bob, The Jerks At Work - moet Rigby passen. Hey - maar hij is ook maar een drummerboy.
GIANT FINGERS


Het overkomt me zelden. Dat ik niet goed weet wat ik met een cd aanmoet. Dat is nu dus, met Giant Fingers (Sonic Rendezvous), zoals ook hun gelijknamige cd heet. Noem het countrykamermuziek, sfeercountry met strijkers, of zoals Village Voice schreef, 'chamber-art-rock'. Opvallend is het, alleen al omdat ik het niemand eerder heb horen doen. Daar komt nog eens bij dat de popmuziek van bands en artiesten als Velvet Underground, David Bowie en Joy Division hoorbaar aanwezig is, hetgeen de verwarring alleen maar groter maakt. Zo is het refrein van Intimidation de slowe uitvoering van Isolation van Joy Division. De ingehuurde lapsteel zorgt regelmatig voor een langgerekt geluidstapijt dat mooi past bij de zuiver-heldere stem van grote man Dusty Wright. En zo vloeien er steeds meer positieve elementen in dit stukje, en kan ik niet ontkennen dat deze sferische muziek me toch wel raakt. Wat nog niet wil zeggen dat Giant Fingers mij echt overtuigd heeft.
DOLLY VARDEN



Het is alweer twee jaar geleden dat Dolly Varden debuteerde met The Dumbest Magnets. De cd leverde de alt countryband de ene na de andere lofzang op, en bleek goed voor vele optredens in thuishaven Amerika en Europa. Zangeres Diane Christiansen en gitarist/zanger Stephen Dawson schrijven nog immer tot de verbeelding sprekende liedjes die lekker in het gehoor liggen. Dawson neemt op Forgiven Now (Under Tow Music) de meeste zangpartijen voor zijn rekening, met Christiansen als tweede stem. Of ze doen het in duetvorm en op ongeveer eenderde van de cd heeft de zangeres de touwtjes in handen. Elf tracks staan erop, die de plaat verdelen in enkele lekkere 'vlaaipunten'. De eerste drie liedjes laten frisse countryrock horen, waarna een rustpauze intreedt met nu drie slow songs waarvan Christiansen er twee voor haar rekening neemt (de ingetogen tunes Wish I Were Here en The Lotus Hour). Op There's Magic gaan we plotseling op de hillbilly-tour, het startsein voor de tweede portie countryrock, die de beste liedjes van deze cd oplevert: Time For Me To Leave (met Christiansen) en prijsnummer Disappear (met Dawson). Van dezelfde kwaliteit is de dromerige poptune met de vreemde titel 1000 Men Like Cigarettes, waarna Dawson met een slaapliedje afsluit. Nou niet helemaal, want bereidt je maar voor op een spetterende hidden track. Sterke plaat van band die een groter publiek verdient.
TOMMY WOMACK



Circus Town (Sideburn Records) van Tommy Womack doet me sterk denken aan de laatste van Fred Eaglesmith. Niet qua liedjes, maar veel meer wat betreft opzet. En dan doel ik op een klein groepje dat de liedjes speelt en die liveachtige productie, fors ruw en toch knisperend. Womack krijgt trouwens steun van niet de minste artiesten, zoals daar zijn Will Rigby (drums), Will Kimbrough (gitaar, orgel), Dave Jacques (gitaar) en Bill Lloyd More (gitaar). Womack doet iets erg goed en dat is dat hij de veelal puntige liedjes niet onnodig lang rekt. Zo bewegen de meeste nummers - veel rock - zich ergens tussen de 2 en de pakweg 4 minuten. Het middenstuk is van superbe klasse. Goed, het begin was al veel rock 'n roll, maar na een wat rustiger tussenstuk doet onze vriend uit Nashville er nog een schepje bovenop. Dat levert enkele spetterende tunes op - My Name Is Mud, You Can't Get There From Here - die niet zouden misstaan op de setlist van Slobberbone. Vervolgens gaat het weer slow, wat enkele onverwachte hoogtepunten oplevert. Om precieser te zijn: de folky titeltrack, de loveballade Nancy en absoluut prijsnummer The Replacement, een ode aan deze rockband door Womack bestempeld als he best. Of zoals hij de 'dickheads' muzikaal omschrijft:
From pupa to butterfly, Saul to Paul, Cougar to Mellencamp. Like crawling inside of Exile On Main Street and pulling Never Mind The Bollocks up to your chin like a sonic quilt.
Zo levert Circus Town akelig veel hoogtepunten op en neig ik er bijna naar om de vier paardjes op te waarderen met een veulen. Met andere woorden: een aanrader. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
LAST TRAIN HOME


JASON WALKER



Last Train Home roept bij mij vervlogen jaren op. De jaren zeventig met the early Eagles en dito Poco. Als zij Desperado hadden doorgezet waren The Eagles nu wellicht zoiets geweest als Last Tarin Home. Travelogue (Laughing Outlaw Records) heet de nieuwe cd - een collectie van de het beste van de eerste twee platen en wat tunes die eerder verschenen op compilatiealbums. Zonder meer: de arrangementen (rijk gevuld de nummers hoor) verraden veel talent en de samenzang van deze negenkoppige (!) countryrockband is meer dan overtuigend. Vier songschrijvers telt dit collectief, dat voornamelijk makkelijk verteerbare counrtyliedjes speelt met rockelementen en af en toe Irish folk die meer richting bluegrass gaat (My Sally). Veelal is de toon rustig, met Never Been To Memphis als flinke noot tussendoor. Afgesloten wordt met twee covers: het fraaie So Long Baby, Goodbye (The Blasters) en een licht swingende uitvoering van Fred Neil's Everybody's Talking'. Voor diegenen die houden van keurig verzorgde countryrock is The Last Train een aanrader.
Ook op het Australische label Laughing Outlaw Records zit Jason Walker, die ooit deel uitmaakte van het mij volstrekt onbekende bandje Golden Rough uit Sydney. Verkast naar North Carolina heeft hij met behulp van producer Mitch Easter Stranger To Someone opgenomen. Een opmerkelijke plaat, want Walker durft het aan om voornamelijk covers te spelen. Dat doen normaliter alleen de groten. Ik tel drie eigen liedjes op een totaal van dertien stuks. Toch klinken Gram Parsons, Johnny Paycheck, Tom Waits, Danny O'Keefe, Bruce Springsteen en Mark Olsen - de oorspronkelijke artiesten - hier allemaal als Jason Walker en dat is een compliment voor deze Australische singer-songwriter met de lekker soepele countrystem. Zo gaat I'm Crying Again van wijlen Mark Heard naadloos over op het door Walker gepende Other Side Of The Bar, met de immer voortreffelijke Audrey Auld op backing vocals (ze doet op vijf liedjes mee). En door een fundamentversteviging gaat ook How Much I've Lied (Gram Parsons) ook in het geheel op. Na afloop weet ik eigenlijk nog niet waarom Walker gekozen heeft voor de covers. Want zelf heeft hij talent zat als liedjespenner, zo bewijst hij met Tears, een schitterend duet met Audrey Auld. Je zou warempel gaan denken dat Emmylou en Gram het nog steeds samen doen.
MARK OLSEN AND THE CREEK DIPPERS



Gary Louris horen we op track nummer 10, You'll be mine. En meteen schiet het beste van The Jayhawks door me heen. Ofwel de beginjaren - in harmonie vertolkt op Pinkpop ooit. Ze kregen ruzie - ik geloof dat Olsen het touren niet zo zag zitten, Olsen wilde meer bij zijn zieke vrouw (Victoria WIlliams) blijven, en er was nog zoiets als twee kapiteins op een schip. Maar de magie tussen beiden bestaat nog steeds, zoveel maakt het liedje wel duidelijk. Wat het is? Olsen was de traditionele plattelandsguy, Louris de vooruitstrevende city boy. Afzonderlijk waren ze goed - bij elkaar kwam er onverklaarbare magie bij, zoiets als Jagger en Richards die solo nooit het beste van The Rolling Stones hebben kunnen evenaren. Goed - The Jayhawks zijn altijd ambitieus gebleven, terwijl Mark Olsen met zijn bandje op tijd de hangmat opzocht in thuishaven Joshua Tree, althans die indruk wekt zijn rommelig-gezellige alt country. Ook December's Child (Glitterhouse) is een lekkere schommelplaat, met af en toe een wild moment. Het zit allemaal knap in elkaar en er wordt met vreugde gespeeld. Olsen trouwens , die doet en maakt wat hij wil, in die zin is hij toch meer opgeschoten dan Louris die met zijn band een toch meer commerciele status heeft. Toch lijkt het alsof de twee dichter bij elkaar komen. Olsen durft meer muzikale paden te bewandelen, en Louris zal wellicht - mede door de mislukking van laatste popplaat - weer terugkeren richting alt country. You'll be mine kon wel eens een voorproefje zijn. Zou er dan toch meer gaan gebeuren? De magie is er nog steeds.
CARY HUDSON


Cary Hudson leidde tot voor kort Blue Mountain - een alt countryband van het eerste uur. Waarom Blue Mountain het niet redde - net iets te vroeg? - zal nooit helder worden. Het verging de band uiteindelijk net als Uncle Tupelo - ook van het eerste uur. Allebei zijn ze inmiddels history. Hudson doet het tegenwoordig in zijn eentje - nou ja, hij krijgt steun van Ted Gainey (drums) en Justin Showah (bas) - en The Phoenix (Black Dog Records) heet de debuut-cd die Europa nu bereikt via Glitterhouse. Verwacht geen schokkende koerswijziging, hooguit dat de sound een beetje ingetoger is en dat zeg ik omdat het totaalplaatje meer soft dan hard is. De rocktunes staan verspreid over de twaalf tracks en dat geldt dus ook voor het wat rustigere werk. En soms zit hij daar tussenin, met de folkrock van Free State Of Jones als vorbeeld. Als hoogtepunten noem ik de ruwe opener met slidegitaar High Heel Sneakers (horen we hier niet Little Feat heel nadrukkelijk?), de tempo countryrocktune Bend With The Wind, de woeste rocker Mad, Bad & Dangerous en het relaxte August Afternoon, dat doet denken aan The Ballad Of Curtis Loew van Lynyrd SKynyrd drie decennia geleden. O ja, Hudson sluit af zoals hij begint: met een slidegitaar, dit keer gegoten in blues (Haunted House Blues). De cirkel is rond gemaakt - met niet echt veel uitschieters maar wel gedegen in elkaar gestoken.
KEVIN BOWE AND THE OKEMAH PROPHETS



Restoration van Kevin Bowe and The Okemah Prophets was een van de beste rootsrockplaaten van 2000. Love Songs And Murder Ballads is deels de nieuwe opvolger. Deels? Ja, want de plaat bevat demo's, live-materiaal en restmateriaal. Restmateriaal? Dat laatste durf ik niet hardop te beweren, want een voortreffelijke en stevige rocker als Barbed Wire And Dogs hoor ik nog niet iedereen nadoen. En zo bevat dit schijfje nog meer fraais hoor, zoals de rootsrock van Liquid Confidence en de folkrock van Thankless Work, Stranger to The Lord en Permanently Temporary - de momenten dat hij doet denken aan John Mellencamp. Ook de gejaagde slideblues van No Riders mag er zijn. Pas daarna horen we iets wat begint te lijken op outtakes. Zoals de geimproviseerde bluesrock van From A Buick 6, de cover Coulda, Shoulda Woulda en de livetracks Blackie Ford's Revenge en Get Rhythm (met vleugje Walk on The Wilde Side). En daar tussenin zit nog een zeer mooi authentiek liedje verstopt, bovendien een hilarisch liedje: Gramma Set Your Big Ass Down. Check out zou ik zeggen. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
THE BEAUTY SHOP



I made a mountain out of coke/That I sniffed up my nose. I wrote fuck on all clothes/That's the life I chose (I Got Issues)
Johnny Dowd heeft er een jonge familie bijgekregen. Of moeten we zeggen dat Joy Division plotseling country is gaan maken. Of menen jullie The Gun Club te horen en Leonard Cohen?, zoals we op een website lezen. Het donkere The Beauty Shop is een piepjong trio rond songschrijver John Hoeffleur dat met Yr Money Or Yr Life (Shoeshine Records) een verrassend origineel plaatje heeft gemaakt. Die Hoeffleur zingt zijn liedjes telkens op dezelfde toonhoogte en laag, dat saai lijkt maar wel als grote voordeel heeft dat hij wel iemand in een liedje kan zuigen. Je blijft er kortom wel met je hoofd bij. Dat ze nog jong zijn horen we aan de onstuimige titeltrack met stekelig punky karakter. Dutch Courage van de andere kant klinkt als luchtige pop, Lies is alt country, Caramal Apple neigt naar alternatieve rock en het begin van het bizarre I Got Issues klinkt als The Cure. Vreemd genoeg is het geluid semi-akoestisch, terwijl ik meen te horen dat The Beauty Shop pas elektrisch volop tot zijn recht komt. Het is trouwens niet zonder gevaar wat Hoeffleur doet, zo melodramatisch uit de hoek durven komen. Voor hetzelfde geld komt je boodschap niet over en ben je nergens. Maar hij verkoopt zich verrekte goed. Bandje met toekomst.
JOHN CATE


Je hebt Tom Petty en je hebt talloze navolgers. En die laatste categorie heb je in vele gradaties. John Cate hoort tot de betere soort, bewijst hij op V, zijn vijfde cd. De aftrap (Let You Run) is grandioos een spetterende gitaarsong met catchy refrein, en zo hoort dat ook bij dit soort platen. De kwaliteit blijft hoog. We horen country en folk meer doorklinken, naast de stevige rock van Still In Love With Her en Television. Na de rustauze van May The Road Rise brengt Cate er opnieuw vaart in, dit keer inclusief southern rock (Hangman). Om af te sluiten met de ballad (Longer Way). die het vooral moet hebben van de samenzang. En dan wringt een beetje de schoen, want Cate is niet de beste vocalist. Niettemin zeker vijf goede songs op een totaal van twaalf is beslist geen slechte score. Verkrijgbaar via Miles of Music.
X-RATED COWBOYS


Deze uit Columbus, Ohio, afkomstige band maakt country met rock- en folkinvloeden. Honor Among Thieves telt dertien gevarieerde tracks. Maar die gevarieerdheid is in dit geval tevens een manco, want een evenwichtige cd is jammer genoeg niet. Om je een idee te geven. Trans Am, de opener, is zoetgevooisde countrypop, Rear View Mirror heeft een groot Byrds-geluid en End Of The World heeft de power van een bijna gelijknamig nummer van R.E.M. Terwijl vervolg Devotion weer stoere rootsrock is. En zo kom je al luisterend nog niet te weten wat X-Rated Cowboys nu eigenlijk wil. Een tweede bezwaar is dat de stem van zanger Quin Fallen iets te weinig karakter en ten derde: de teksten zijn weinig beeldend. Zo blijft deze cd steken in voornamelijk goede bedoelingen.
THE UNDERSTATE MEN


Het is grappig al die jaren zeventig invloeden te horen bij de Nederlandse countryrock/folkband The Understate Men. Op Bone, de openeningstrack, waart de geest rond van Neil Young, terwijl op het energieke Who The Hell Is Dow Jones een felle duo-solo voorbij komt die zowel aan Lynyrd Skynyrd als aan Wishbone Ash doet denken. Daarna gaat de 'rhine valley band' even op de folktoer, in een omfloerst klinkende setting, iets wat we later nog een keer zullen meemaken op Mermaiding en de epische slottune Old Pine Drive. Neil Young komt trouwens nog vaker voorbij, want de wijze waarop zanger/gitarist Dif Room Full of Angela zingt is Young, ten tijde van Harvest en After The Goldrush. In een schuurtje opgenomen is dit een cd met goede momenten, maar die tevens wordt gekenmerkt door wisselvalligheid. Tegenover de hoopvolle start - goede melodieen, lekkere gitaren - staat een matig slot met niet pakkende liedjes. Er is beslist toekomst voor The Understate Men, maar dan moeten ze wel kiezen voor dat stevige countryrockgeluid met folkinvloeden en de rest buiten boord houden.
CHUCK PROPHET




Eindelijk weer eens een geile popplaat.
Een wonderbaarlijke plaat, van iemand waar ik het eerlijk gezegd niet echt van had verwacht. Ik wist wel dat Chuck Prophet solo heel wat in zijn mars had - check out zijn laatste liveplaat - maar No Other Lover (zijn eerste voor New West/Munich) is van een ander level. Een klassieker, vandaar de vijf paardjes die je dus goed had gezien.
Effe dat geile uitleggen. Liedje nummer vier heet Run Primo Run en bevat aan het begin de volgende zinsnede: "Primo snorted up his name like he does every year on the day he came to the world. It makes him feel like Richard Gere". Het gaat om de wijze waarop hij Richard Gere zingt, om precies te zijn die achternaam: Geeeeeeere. Mmmmmmm. En dat in een sublieme song, die erg hardnekkig verwijst naar het tijdperk Bob Dylan gaat electric.
En zo doet No Other Love aan veel meer dingen denken. What Can You tell Me kon rechtstreeks komen uit de sessies van Black and Blue van The Rolling Stones, met Billy Preston behind orgel. Ik wil de drugsjaren in ons lokale jongerencentrum niet gaan ophemelen, maar die tune zou dus beslist dag en nacht gedraaid zijn geworden. En dan is er nog liedje nummer 5, Storm Accross The Sea - met mooie strijkers - dat op het repertoire van The Verve had kunnen staan.
Begrijpen jullie wat Prophet hier doet? Een tijdloze plaat neerzetten, waarin sixties, seventies en heden in zitten opgesloten. Zeg maar pop, rock en roots samengesmolten, in een geheel eigen stijl. Dat kunnen alleen de groten.
Het is een lekker een golvend plaatje, met om de twee tracks of zo een uitzonderlijk mooi liedje, of beter gezegd: nog fraaier dan de rest. No Other Lover is zo'n ontroerend mooi lied - en beslist aan te raden voor iedereen die nog iets goed te maken heeft met zijn mam. That's How Much I Need Your Love (synthi-pop) wordt gedragen door een enkele kreet die telkens herhaald wordt - zoals die enkele gitaarnoot Run Primo Run de drive geeft. Elouise is in de sfeer van Run Primo Run - dat orgeltje - maar dan met dansritme.
Chuck Prophet toont zich een meester in miniatuurtjes. Neem After The Rain, met sublieme gitaarpartij, een prachtriedeltje, en daaromheen een golvende melodie op orgel gesponnen - zo apart. Het meezingbare Summertime Thing heeft ook een pracht van een gitaarpartij, inclusief solo, maar ligt iets meer verstopt in de rest van de instrumenten. What Makes The Monkey Dance is zweterige grote stadsmuziek, net als What Can You Tell Me. Waarna het tijd is om te luisteren naar het slotakkoord Old Friends, waarop we Prophet als gitarist op zijn best horen. Een heerlijke lome partij met heel veel nootjes.
Halverwege de jaren tachtig dachten we dat het iets zou gaan worden met Green On Red, het countryrockbandje van Prophet. Dat liep dus spaak en wie dacht toen niet: die Prophet zal altijd platen maken die er net niet toe doen. Het bleek allemaal een aanloop naar de glorieuze triomf van No Other Love. No Other Love komt eind april uit.
THE TENNESSEE TWIN


NASHVILLE



Je hebt Nashville en je hebt Americana, ofwel glad en commercieel en tikkeltje ruw en eerlijk. En je hebt Mint Records, die een vleugje onbevangenheid, of noem het punk, toevoegen aan traditionele countrymuziek die dus weinig te maken heeft met Nashville. Zo horen we op Free to do What van The Tennessee Twin, een Canadese band rondom de Amerikaanse zangeres/filmster Cindy Wolfe. De punk zit hem in de niet-traditionele liefdesliedjes, of anders gezegd in de vrolijke gekte van de teksten, zoals Aunt Apple and Cousin Orange en Southern Duckhead. Of neem Wildflowers, waarop adolescentie beeldend wordt neergezet: "Wildflowers don't care where they grow". De punk zit hem ook in het een tikkeltje ruig neergezette geluid dat country laat botsen en samensmelten met cajun en folk. Net of ze maar wat doen daar bij Mint Records. Maar het resultaat is wel een allercharmantst plaatje.
Cindy Wolfe horen we ook op Nashville, een fraai project van Carolyn Mark. Het is een muzikale bewerking van de speelfilm Nashville uit 1974 van Richard Altman. Voor deze klus heeft ze een legertje artiesten verzameld, zoals daar zijn Neko Case (vriendin van Wolfe), Kelly Hogan, The Corn Sisters en The New Pornographers. Zij zorgen voor twintig tracks, inclusief veel - grappig - gesproken woord van de 'regisseur'. De klassieke film handelt over de business en muziek in Nashville - een immer actueel gebleven onderwerp. De soundtrack zit boordevol creatieve vondsten. De muziek is niet zelden als gimmick bedoeld, maar echt gemusiceerd wordt er ook, zoals op het Afrikaans aandoende (de rinkelende gitaren) Bluebird, het super flitsende cajun meets country Tape Track In His Tractor en Keep A-goin', met veel gitaargeklette. Een tribute om te lachen en om te luisteren. Heel gek gevoel is dat. Prachtig gedaan Carolyn.
STEVE EARLE



Misschien is dit plaatje niet echt zo goed - maar dat zal een trouw fan van Steve Earle nooit toegeven. Het lijkt erop dat 'bigmouth from Texas' even vrijaf heeft genomen. We horen althans niks van plannen over een nieuwe cd, zoals we zulke plannen de afgelopen vijf jaar wel om de paar weken hoorden. Daarom is Side Tracks (Artemis Records) een verrekte aardig en gewenst tussendoortje. Fans zullen nogal wat liedjes bekend voorkomen, zoals die de tragiek van Ellis Unit One (uit de film Dead Man Walking), de fantastische potentiele reggae zomerhit Johnny Too Bad (toe nou Sony - zet Hilverscum eens onder druk zodat ze dit eindelijk eens gaan draaien) met The V-Roys en Creepy Jackalope Eye met punckrockers Supersuckers. Het tragische Me And The Eagle kennen we van de film The Horse Whisperer (die Earle zelf trouwens nooit gezien heeft, verklapt hij op de bijsluiter) en fans heb ik ook wel eens eerder horen reppen over hoe geweldig die uitvoering van Breed (op de Japanse versie van Transcendental Blues) is (wat overigens wel meevalt). Maar het liedje past er wel bij, om de diversiteit nog maar eens verder aan te dikken. Zo horen we na de reggae van JTB vrolijke Ierse klanken met Sharon Shannon op de instrumental Dominic St en dat geweld van Kurt Cobain's gang dus. En dat gaat zo maar door. Time Has Come Today - een ruige rocker met Sheryl Crow - is puur politiek en dat tranentrekkende hoogtepunt, een sublieme versie van Willin' (Little Feat). Folk-bluegrasstune Sara's Angel is van dezelfde sessie met de muzikale klasbakken Tom O'Brien, Darrell Scott, Dennis Crouch en Casey Driessen. En ook het live opgenomen My Uncle deed Earle is met dat legertje snarenplukkers. En dan hebben we het nog niet gehad, want dan horen we een overrompelend mooie versie van Bob Dylans My Back Pages. Met Earle (het is meet een Tom Petty-lied) uitzonderlijk hoog zingend. Nou, teveel verteld? Dan maar snel aanschaffen.
JASON RINGENBERG



De vorige cd van Jason Ringenberg was een themaplaat over het leven op het boererf. Dit keer heeft hij een vriendenlaat gemaakt. Met behulp van bevriende singer-songwriters en bands ontstond All Over Creation (Blue Rose/Sonic Rendezvous), een toepasselijke titel. Om een idee te geven wie er zoal hebben meegedaan: Steve Earle, Todd Snider, Paul Burch, Lambchop, BR549, Tommy Womack, Kristi Rose en Fats Kaplin. Deze keur aan artiesten leidt ook tot een keur aan liedjes, waarbij de geest van Ringenberg - hij kan zo zalvend zingen - telkens aanwezig is, maar ook die van de anderen. Zo heeft Bible And A Gun toch ook iets typisch oer-Earle's. Hetzelfde kan gezegd worden van het luchtig-poppy James Dean's Car waarop Todd Snider nadrukkelijk aanwezig is. En The Wildhearts moet een ruige band zijn, getuige de rock op One Less Heartache. Don't Come Home A Drinkin' heeft de country van BR549 en op Sun Don't Shine horen we de puurheid die ook de platen van Paul Burgh zo siert. En zo zal het de lezer niet vreemd in de oren klinken dat Erin's Seed met Lambchop vooral slow is. Kortom, een gevarieerde plaat, met veel zorg en liefde samengesteld en daarmee een geslaagd project
MOTHER, QUEEN OF MY HEART



Themaplaten; je ziet ze geregeld opduiken. Johnny Cash verzamelde liedjes onder de noemer Love and Murder. Sugar Hill, het country- en rootslabel, doet hetzelfde met het thema Mother. Veertien mama-liedjes prijken op deze afwisselende cd met artiesten als Seldom Scene, James McMurtry, Doc Watson, Bad Livers, Lonesome River Band, Darrell Scott, Tim & Molly O'Brien en Don Rigby. De kenners weten misschien al genoeg, maar er zijn ook Americanagangers die Sugar Hill nog moeten ontdekken - nietwaar? Emmylou Harris zingt op The Sweetest Girl in een fraaie Americana-uitvoering van Seldom Scene. De titeltrack is van wijlen Jimmie Rodgers en wordt hier gespeeld door het combo rond Larry Cordle. Dat is het mooie van onze Moeder - dat ze al die verschillende muziekstijlen vangt. De noeste rootsrock van James McMrty wordt gevolgd door de stoere bluegrass van Bad Livers, de vrolijke hillbilly van Kathy Kallick en de swing-country-bluegrass van Doc Watson. Na enkele ballads (soms wel een beetje klef) keert het tempo weer langzaam terug. En geen kwaad woord over mam, he. Ook in die zin is dit mooie schijfje een ode.
JERRY DOUGLAS



Sugar Hill is het label voor de fijnproevers. Zoek je naar begenadigde muzikanten dan ben je er aan het juiste adres. Neem nou Jerry Douglas, een klasbak op dobro, die een nieuwe cd uit heeft met de titel Lookout for Hope. Het is welhaast niet te geloven wat hij uit zijn instrument haalt. Neem het flitsende Patrick Meets The Brickbats, na de fraaie inleiding (Little Martha van wijlen Duane Allman), en je bent overtuigd. En het is niet alleen Douglas die hier straalt. Hij heeft supertalenten om zich heen verzameld als Sam Bush (mandoline), Stuart Duncan (viool), Bryan Sutton (gitaar) en Chris Thile (mandoline). Samen spelen ze een mix van Douglas' werk - varierend van country tot jazz en zuidelijke tonen , een enkele traditional en wat covers. Wordt er (zalvend) gezongen dan draven artiesten op als James Taylor en Maura O'Connell. Een enkele keer heeft Douglas helemaal niemand anders nodig. Dat horen we hem solo schitteren, zoals op de korte instrumental snelle Monkey en het gevoelige In The Sweet By and By. Ik begrijp wel dat hij de paar gezongen liedjes erop heeft gezet voor de afwisseling, maar voor mij had dat niet gehoeven. Rootsmuziek hoeft nu eenmaal niet altijd gezongen te worden, zeker niet met zoveel talent als op Lookout For Hope.
SHERYL CROW


Op mij heeft de muziek van Sheryl Crow nooit zoveel indruk gemaakt dan haar verschijning zelve. Gaandeweg de jaren is bovendien de roots steeds meer uit haar muziek verdwenen - ik heb lange tijd hoop gekoesterd - en dat is op haar nieuwe, C'mon Cmon, nog nadrukkelijker het geval, haar eerste cd in vier jaar. Let wel - dit plaatje zit verfluffend knap in elkaar, met veel vrolijk-doordachte frobeltjes en allerhande invloeden. Zo horen we op de gladgestreken titeltrack ware Byrds-gitaren met op de achtergrond eindelijk weer eens Miss Crow (ik vraag me mijmerend af wie haar geliefde toch zal zijn) op accordeon. Op dit poppy-rock album krijgt ze steun van niet de minsten. We noemen hier even Emmylou Harris, Don Henley, Liz Phair, Lenny Kravitz, Natalie Maines (van The Dixie Chicks). Het zal haar beslist de nodige airplay opleveren, daarvoor zijn de duetten met Kravitz (You're an Original) en Don Henley (It's So Easy) pakkend genoeg. Maar ze slaag ook regelmatig door in onbenul, met Hole In My Pocket als miezerig voorbeeld. Maar toch, verdorie ze kan het wel, laat ze met Emmyklou Haris horen op de droefgeestige ballad Weather Channel. Ik vraag me af: durft Sheryl Crow ooit die rootsplaat te maken die ze in zich heeft? We blijven met zijn allen hopen.
ROGER CLYNE AND THE PEACEMAKERS



Het moet twee jaar geleden zijn. Roger Clyne - hij oogt een beetje als Little Steven met zijn hoofddoek - was aan het genieten van een korte rustpauze na het promoten van zijn eerste cd Honky onk Union. Hij parkerde zijn auto aan de grens van Arizona en liep Mexico in, op zoek naar een shot of tequila in een bar. Hij kwam enkele mariachi-muzikanten tegen met wie hij de nacht doorbracht, muziek makend. Het maakte diepe indruk op de singer-songwriter die daarom drie zuidelijk getinte liedjes op zijn nieuwe, derde, cd heeft staan. Sonoran Hope and Madness heet die plaat en de nummers waar ik eerder op doelde Sonoran Hope And Madness (een beetje Willy Deville met castagnetten), Interlude (korte instrumenal) en Better Beautiful Than Perfect (als Sonoran Hope). Met zijn band de Peacemakers trakteert hij de luisteraar op een breed scala aan liedjes. De Mexicaanse tonen zijn eerder gememoreerd. Wie hem ongenadig hard wil horen rocken die raden aan te luisteren naar Colorblind Blues, Mile High and Risin' en Smaller And Better Things. Zijn zachte kant komt voorbij op The Ballad of Lupe Montosa en Ashes Of San Miguel en roots tot slot is er ook nog: het sprankelende Sleep Like A Baby. Alles zo'n beetje benoemd is dat een tamelijk indrukwekkend geheel. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
STEVE RELF



Spirits Malfunction van Steve Relf was het favoriete plaatje vorig jaar van de Canadese singer-songwriter Dave McCann (die in september trouwens samen met Wyckham Porteous een tourtje komt doen). Die McCann heeft een goede smaak, want wat is Spirits Malfunction toch voortreffelijk. Die Relf bevestigt dat Canada momenteel heel veel songwriterstalent bevat. Je moet hem gewoon horen hoe hij zich hoekig-soepel begeleidt op gitaar en daarbij zingt met een overtuigend treurig-diepe stem. En waar nodig duiken een koortje, lap steel, harmonica, banjo en mandoline op, niet teveel en ook niet te weinig. Die Relf is bovendien een voortreffelijk storyteller. Titels als Fade Out, Broken Hearts Lullaby, Drunken Fights en For You zeggen denk ik wel genoeg. Maar wat vooral intrigeert is die aparte finger picking-stijl in combinatie met die prachtstem. Alt Country NL pleegt gaarne een ontdekkinkje te doen - maar deze komt op naam van Dave McCann. Waarvoor dank! Zoeken op internet naar Steve Relf heeft weinig zin. Wel is er een emailadres bekend voor meer wie meer informatie wenst.
MIKE STACK


Net als Steve Relf (zie hierboven) komt Mike Stack uit de omgeving van Alberta, Canada. En wederom was Dave McCann de aangever. I Need Wheels heet de cd met country- en rockinvloeden van deze Canadese zanger, die ook een portie bluegrass en zuidelijke tonen niet schuwt. Het grote verschil met Relf zit hem in de muziek, niet zozeer in de verhaaltjes die worden bezongen, al is de minder poetische en meer romantische Stack meer een zingende reiziger, getuige titels als I Need Wheels, de titeltrack, Highway en het bluegrass-achtige Coming Home. Stack varieert meer, al is dat niet altijd in zijn voordeel. Zo klinkt het luchtige Nice Fella wel erg gladjes. Daar staat tegenover het eveneens luchtige, maar zeer appetijtelijke Johnny Love, vol vaart en met catchy koortje. Heel af en toe komen hij en Relf dicht bij elkaar in de buurt, en dat is wanneer Stack de begeleiding beperkt tot akoestische gitaar (en een bas), zoals op de mooie titeltrack, een ballad.
THE WEARY BOYS


Dit plaatje bereikte me uit onverwachte hoek. Het schijfje schijnt het goed te doen bij De Plaatboef in Amsterdam, die het mij niet wilden onthouden. The Weary Boys heet de band en zo ook hun cd. Roep Hank Williams in herinnering, Del McCoury Band, Louvin Brothers, Merle Haggard, Ralph Stanley, gooi het in een pot, roer het goed om en je krijgt vanzelf de Weary Boys. Dat is dus bluegrass met drums, hillbilly met Shadows-gitaren en country met twang. Twaalf gevarieerde tracks telt de titelloze plaat, waaronder traditionals en covers van onder andere Hank Williams en Bill Monroe. Opvallend goed is de wisselwerking tussen de solo-instrumenten (gitaren, viool) en de samenzang, zoals bluegrassbands dat vaak ook zo goed kunnen. En doordat het tempo vrijwel telkens hoog is, krijg je vanzelf het idee hier te mkane te hebben met een feestplaat. Goed - dit gezegd hebbende sluiten Weary Boys in slowmotion af met Rock of Ages. Leuk combo!
MARY GAUTHIER


Je hebt groeiplaatjes, maar je hebt ook breekplaatjes. Dat laatste is me overkomen met de nieuwe cd van Mary Gauthier, Filth & Fire (Munich). De opvolger van het bejubelde Drag Queen In Limousines ligt al een tijdje in mijn cd-machine. In het begin zocht ik de mooie liedjes op - en die staan erop! Maar daarna wilde ik de cd horen - en die valt me als totaal toch tegen. Waarom openen met de midtempo folky rootssong Walk Thru Fire, terwijl een harder en iets sneller nummer als Sugar Cane toch pakkender is. Aan het eind doet zich een ander probleem voor. Met drie ballads achter elkaar gaat de plaat een beetje uit als een kaars. Zo slaat luisterend naar Filth & Fire af en toe de verveling toe, terwijl er toch een handvol prachtsongs op staat. De depri-tune Long Way To Fall mogen we tot haar best of tellen, met Gauthier krachtig beeldend zingend. For Rose is een dramatische lovesong. Verder heeft ze weer enkele rake story's, met Camelot Hotel (over een stelletje dat elkaar leert kennen op internet) en Xmas in Paradise (hoe vieren zwervers Kerstmis?) als hoogtepunten. Goodbye is een mooie opleving halverwege, en laat horen dat producer Gurf Morlix goed zijn best heeft gedaan met inkleuren. Maar de weinig verheffende tearjerk countrysong After you're gone kan ook hij niet redden en bij het opgewekte On The Ledge voel je dat hij de trucendoos wel erg ver heeft moeten open trekken. En zo gaat dat de hele cd door. Het ene moment ben je er met je aandacht bij, het andere moment begin je een beetje te knikkebollen. Filth & Fire komt uit op 15 april
MICHAEL KELSH



Michael Kelsh sings in a whisper that makes you want to listen more close, so you can divine the secret - his songs (Steve Earle)
Dit schijfje is al enige tijd een hit bij mijn favoriete platenboer. Michael Kelsh is de naam van de troubadour en Well Of Mercy (Redeye) heet zijn plaatje. De Texaanse singer-songwriter kreeg de hulp van producer Rodney Crowell, die en passent zijn huis beschikbaar stelde voor de opnamen. Verder horen we Kelsh - een geweldig gitarist - begeleid worden door onder andere Rusty Young (steel guitar), Michael Rhodes (bass), Stu Cole (upright bass), John Cowan (zang), Joy Lynn White (zang) en Larry Attamanuik (snare). Storyteller Kelsh schrijft soepeltjs en laat daarbij zich ingetogen-sober begeleiden, passend bij zijn lijzige stem. In die soberte zorgen de muzikanten voor heel wat miniatuurtjes, die nodig zijn om de af en toe opborrelende saaiheid de kop in te drukken. Daarom vlecht hij er ook af en toe een temponummerje in, zoals het met mooi koortje gezongen Last Train To Redemption. Of dat hij nog kleiner musiceert zoals op hoogtepuntLove I Hold, waarop hij (gitaar, mondharmonica) zich alleen laat begeleiden door staande bas. Toch heeft Kelsh mij nog niet helemaal gegrepen, vanwege het lome tempo veelal, maar ik sluit niet uit dat hij binnenkort een half paardje extra gaat krijgen. Verkrijgbaar via Miles Of Music.