ALLISON MOORER



Americana is een aardige term om veel muziek achter te verstoppen. Nog meer dan achter Alt Country. Allison Moorer valt onder Americana, omdat het bijna niet country is wat ze doet, maar wel nadrukkelijk rootsmuziek. Want in haar liedjes zit de blues, de soul en de gospel, gezongen met die heldere, ietwat donkere stem van haar. En ze is bluesy gestemd, hoor:
What happened to the world we painted. The masterpiece of you and me. Our work of art has all but faded. Nothing's here except the blues. Love's crumblin', love's crumblin' down
Ik kon het zelf echt niet mooier zingen. Moorer doet het op de openingstrack Tumblin Down van haar nieuwe cd met de cynische itel Miss Fortune (Universal). Ze doet een beetje als haar zus Shelby Lynne, maar dan zonder de zwoele dansfactor. Wat dat betreft is Moorer een tikje behoudender. Maar wat ze doet doet ze erg goed. Allereerst natuurlijk die stem, daar kun je al bijna geen liedje mee laten mislukken. Dan de instrumentaties die breed zijn, gevarieerd en vonkjes spattend spannend, zoals op het funky-soulrijke Bonnie Raitt-achtige prijsnummer Ruby Jewel Was Here en het zwoel-zoete Steal The Sun met vette strijkers tegen een wahwah-gitaar. Ja, de toefjes Hammond zijn precies op de goede plaats, idem de koortjes, de onverwachte riedeltjes op gitaar, het stiekeme drumroffeltje en de extra gitaar met trotze blazer op de achtergrond. Al luisterend schieten me artiesten door het hoofd: Elvin Bishop, The Band, Aretha Franklin, haar zus. Hier is over nagedacht door een vakvrouw from Alabama. Miss Fortune is het zoveelste heerlijke plaatje deze zomer.
SLOBBERBONE



Ik ben de distributeur van de nieuwe Slobberbone in Nederland al een tijdje aan het pesten. Hij heeft het niet in de gaten. Zeg dat ik de nieuwe koers van de boys uit Denton, Texas, maar niks vind. Maar dat ik het nog even in het midden laat of het echt zo erg is als ik vermoed. Belt hij een paar dagen later weer, of het al beter is geworden. Nee. Ik geef hem een hint - de cd ligt al een tijdje in mijn machine in de auto - maar die pikt hij niet op. Jammerend: 'Hoe kan dat nou, de Volkskrant is er zo laaiend enthouasiast over?'. Rustig maar: Alt Country NL ook. Hoewel even wennen - de koers is verlegd van punkcountry richting stoere rock - grijpen Brent Best (zang, gitaar), Jess Barr (gitaar), Brian Lane (bas) en Tony Harper (drums) je wel bij je lurven. Niet dat Slobberbone plots wereldvreemd overkomt. Write Me Off roept het nog immer sprankelende debuut in herinnering en ook de country-elementen zitten er nog wel degelijk in gebakken (iets wat Marah verzuimde en daardoor door de mand viel). Het is ook een plaat met twee kanten. De eerste helft is grotendeels brutaal-hard en snel, het tweede deel slower en gevoeliger. Opvallend nadrukkelijk aanwezig: de speelse finesse van gitarist Jess Barr. Het is een verbreding die songwriter Brent Best de luisteraar voorschotelt - wat te denken van een fraai omgebouwde cover van To Love Somebody van The Bee Gees? - en dat maakt Slippage (New West Records/Munich) tot een verrassend album, zelfs voor de trouwste fans die meenden dat ze het viertal uit Denton al doorgrond hadden. Slobberbone is levendiger en gedurfder dan ooit. Ga het zelf maar zien en horen op Take Root op zaterdag 5 oktober.
HAYSEED



Hayseed debuteerde enkele jaren geleden met een prachtig Americana-album, waarmee hij de harten stal van gerenommeerde artiesten als Emmylou Harris en Lucinda Williams. Zijn platenstal ging edoch failliet. Hayseed kocht de hele partij cd's op en zorgde zelf vor de distributie. Reden wellicht dat hij het vervolg zelf uitbrengt op een label met de veelzeggende naam Artist Friendly Records. En hoewel er aan het geluid nauwelijks iets is veranderd is In Other Words toch een verrassing. Hoewel het debuut alweer een jaar of twee achter ons ligt en je zou denken dat Hayseed een trits nieuwe liedjes heeft, komt de tonnetjeronde artiest op de proppen met een cover-cd. Hayseed is vooral een stem. Een baritonstem, die de woorden heeeeeeeeeel lang doet rekken. Het geluid is country, folk en een mix daarvan, en superieur gespeeld. En wat ik me dan afvraag: is dat de verdienste van Hayseed (die alleen zingt)? Is zijn verschijning voldoende om muzikanten te laten glorieren of komt hij met aanwijzingen over hoe ze moeten spelen? Ik kan er hier geen antwoord op geven, wel dat de wisselwerking tussen zanger en band werkt. Hayseed doet vooral onbekende en vergeten liedjes van lieden als Gurf Morlix, Duane Jarvis, Tommy Womack, Paul Burch, een enkele traditional en Tim Carroll. Opvallend: het zijn optimistisch getinte liedjes, met gevoel voor lol. Wat dat betreft spant When Country Singers Were Ugly (van Womack) de kroon. Hayseed blikt terug toen muziek er nog to deed in plaats van spierbundels en opgepompte tieten in muziekland
And you didn't need sex, lies or videotape, just a truck and a friday night dance. When country singers were ugly, and a man like me had a chance.
Maar blijven we Artist Friendly: de gastartiesten - onder wie Emmylou Harris, Joy Lynn White - maken deze cd wellicht ook commercieel interessant voor Hayseed. We gunnen het hem van harte. Verkijgbaar via Miles Of Music.
THE HELLECASTERS



The Hellecasters is een trio gitaarvirtuosen dat totnutoe drie cd's heeft gemaakt: The Return of the Hellecasters (1993), Escape From Hollywood (1995), en Hell III: New Axes to Grind (1997). Daarvan zijn de allerbeste instrumentals (en drie toegevoegde tracks) samengebundeld op Essential Listening Volume 1 (Hightone/Sonic Rendezvous). The Hellecasters bestaan uit John Jorgenson, Jerry donahue en Will Ray, aangevuld met tal van muzikanten onder wie de drummers Steve Duncan en wijlen Donald Lindley. Begonnen als hobbyproject oogstten de drie gitaristen steeds meer lof, reden waarom we nu wel kunnen spreken van een echte band. De veel geprezen Jorgenson maakte ooit deel uit van de Desert Rose Band en speelde met coryfeen als Bonnie Raitt, John Prine, Bob Dylan en The Byrds. Donahue doet niet voor hem onder. Zijn naam prijkt op platen van George Harrison, Elton John en Joan Armatrading om er een paar te noemen. En Ray is bekend van zijn werk voor Carlene Carter, Steve Earle en Solomon Burke. Over dat kaliber hebben we het hier. Het zijn wel een beetje erg veel riffs die in je oren dringen - verzadiging dreigt! - maar van de andere kant is het wel superieur gesoleer (Dangert Man is een geweldig desert Bonanza-tafereel) en samenspel waar je meer dan soms met verbazing naar luistert. Voer voor de pickers onder ons.
NED VAN GO


Ned Van Go heet het speeltje van Ned Hill, gewezen frontman van het punk 'n' rollbandje The Cowards uit Nashville. Op In Stereo trakteert hij de luisteraar op tien staaltjes 'southern-fried power pop'. En dat staat voor aanstekelijke liedjes met veel kracht gespeeld en hier en daar (Wretched Town, Carnegie Hall) R.E.M.-gevoelig. En dat komt vooral door het nasale stemgeluid van vriend Hill dat dus lijkt op dat van Michael Stipe. Wel, als je uit Nashville komt, kan country niet ontbreken, en dat horen we dan in heftige vorm terug met Bonanza-gitaren en met rock 'n' roll drive op Don't Leave Me. Rock 'n roll, maar dan met punk attitude, is er volop op eindtune Laid, net na de catchy powerpoptune Common Girl. Wel, niet alle liedjes laten mij rond de cd-machine swingen maar soms - het snerpend-felle Hangin' Out At Walmart voorop - doen ze dat wel. Daarom: hou Ned Hill toch maar in de gaten.
THE BELLYACHERS



Het debuut van The Bellyachers kan ik mij nog goed herinneren. Zangeres en songschrijfster Sandra Mello vertelde dat ze bij platenstal Hightone werkte, maar het debuut van haar band in eigen beheer uitbracht.Bakersfieldcountry met rockinvloeden, dat staat me nog voor de geest. Op opvolger Heavy In My Hands is er het een en ander veranderd. Drummer Brian Mello is teruggekeerd naar zijn oude liefde, de gitaar. Achter de drumkit zit nu ene Peter Craft. The Bellyachers worden verder aangevuld door mede-songschrijfster Melody Baldwin-Baroz (zang, gitaar, trompet). De nieuwe line up vertaalt zich in een steviger bandgeluid waar niet meer de country echt helemaal voorop staat, maar ook lekkere stevige rock - de tamelijk briljante door gitaar aangedreven donkere radiosong I Follow You en wat te denken van een cover van Jamie's Crying van Van Halen! - en zuidelijke temperamentvolle volksmuziek (Heavy In My Hands) aan bod komen, en zeer overtuigend zelfs. Niet dat er geen country meer over is, integendeel, we horen keurige honkytonk en ballads waarbij de fles en de liefde voorbij komen en waarbij vooral de dwingend-frivole gitaarpartijen opvallen. Het maakt van Heavy In My Hands een verrassend goede plaat. Ik ben benieuwd of ze bij Hightone onderhand wakker zijn geworden.
PATRICE PIKE AND THE BLACKBOX REBELLION


Patrice Pike is een jonge zangeres uit Austin die met begeleidingsband Blackbox Rebellion haar debuut aflevert onder de noemer Fencing Under Fire (Zainwayne). Pike zingt met warm soulgevoel rockliedjes met veel danceinvloeden en heeft daardoor iets weg van Shelby Lynne. Met Ms. Ramona en Heroes (hey, hier horen we duidelijk de riff van Sweet Jane) is dit debuut radiovriendelijk getint.The Honeytreet Lie en Me and Smooth levert ze ballads die het meer gepeperde werk afwisselen. Pike begint de plaat heel sterk, met dromerig gezongen loveson Dominique en het zwoeldansbare Jackknife Girl en de eerder genoemde felle rocktune Ms Ramona, maar kan het niveau niet tot het eind volhouden. Daarvoor zijn het nachtclubachtige All The Pieces en eindtune Volcanoes niet spannend genoeg. Voorlopig blijft deze nieuwkomer de status veelbelovend houden.
MARTIN HUTCHINSON


Martin Hutchinson is een Ierse muzikant/zanger die in Nederland woont en behalve van folk ook plukt van zwarte muziek uit Amerika, de blues, rock 'n roll en cajun. Deze bonte vermenging van stijlen - de gitaren op The Silver Night zijn net zoveel pop als blues - horen we op Water From A Stone, zijn nieuwe cd. Hutchinson laat zich begeleiden door een Nederlands duo - Sander van Meerten op drums, Arno Nikkelen op bas - aangevuld met een legertje gastmuzikanten onder wie Roel Spanjers op Hammond-orgel. En dat levert op de veertien tracks - dertien van de hand van Hutchinson en Bankers Blues, een cover van Big Bill Broonzy - een rijk en hecht geluid op. Hij grijpt in zijn liedjes terug naar herrinneringen, verzint zomaar een verhaaltje, of laat alles in elkaar overlopen. Zo speelt de vrolijke cajun-tune Holiday Hangover, met accordeon, zich af in New Orleans, terwijl het eigenljik gaat over een uitstapje in eigen land naar Ballybunion. Zijn Ierse roots zijn het meest hoorbaar op de catchy en melodierijke opener Bound Or Waiting, de rhythm-tune Don't You Wait, en op het bluesy With a Whisper horen we zowaar de Ierse mystiek. Martin Hutchinson kan veel, zoveel zelfs dat je je afvraagt je af of het niet verstandiger is om in plaats van zoveel stijlen te kiezen voor een meer typisch eigen geluid. Hij heeft het in zich. Ga zelf maar kijken als hij in de buurt speelt.
HOTCLUB OF COWTOWN



Vaste lezers weten dat Hotclub Of Cowtown een van mijn favoriete bandjes is. Ik zag ze ooit op Moulin' Blues zo wervelend de Texas swing spelen dat een zichtbaar geimponeerde Jools Holland het trio meteen uitnodigde voor een sessie voor zijn befaamde BBC-show. Die sessie ging trouwens niet door, maar dat terwijze. Ghost Train (Hightone/Sonic Rendezvous) is inmiddels de vierde cd van spilduo Whit Smith (frivolengitaar, zang), Elena Fremerman (vlamviool, zang) en Jake Erwin (notenplukbas). Americana-producer Gurf Morlix legde twaalf tracks vast en deed dat met veel oor voor details. Niet dat er veel is veranderd aan het geluid - swing en jazz met flitsende riedels op viool en gitaar en een superbe bas als ritmesectie - alleen maakt de afwerking een verfijndere indruk, hoorbaar aan meer laagjes. Mooi smeedt het trio eigen werk, covers en traditionals aan elkaar tot een eenheid (hier en daar aangevuld met de piano van Joe Kerr). Smith pende drie tunes (dromerig met melancholie) , Freeman vier (frivool-romantisch) en daarnaast horen we onder andere Chip Away The Stone (van hardrockband Aereosmith!) in countrysfeer met heldere meerstemmenzang, en opgefriste tunes van bijna een eeuw geleden. De muzikanten kunnen zich naar hartelust uitleven op hun instrumenten en doen dat uit de kuinst. Af en toe (Fuli Tschai (Bad Girl), de folky instrumental Cherokee Shuffle) lijken ze zelfs te wedijveren om de titel van snelste muzikant. Het maakt deze afgestofte swingstijl tot een waar feest. Verplichte kost voor fijnproevers.
BAPTIST GENERALS



Dat krijg je ervan Chris Flemmons, als je wat zit te klooien in je oefenhok en alles gewoon op band smijt. Dus ook de handy die onverwacht overgaat. Vrouw aan de telefoon. We horen hem vloeken en tieren - FUCK, GOD DAMN, en er vliegt een gitaar in de hoek - op openingstrack Ay Distress. Maar wat levert het een verrassend, spannend slot op. De woedende toon is meteen gezet. Flemmons' trio debuteerde twee jaar geleden met het spannende lo-fi-achtige Dog. Kort daarna overleed zijn vader en werd Flemmons Jr. ziek, volgens eigen zeggen van verdriet. Nu gaan de liedjes niet direct over de dood, maar ze lijken wel voort te vloeien uit die donkere periode. Er zit iets meer muziek dan op het debuut, maar nog immer weigert het trio (akoestische gitaren, af en toe een riedeltje, spaarzame drums en curieuze geluidjes, oversturingen en verwrongen orgeltonen) uit Denton concessies te doen. Daarom geen professionele studio, maar gewoon een ouderwetse sporenrecorder en niks geen dure Gibson of Fender maar een houten, versleten en inmiddels vaak gerepareerde gitaar van een verkeerd merk uit een pawnshop. Deze aanpak levert een onvervalst nieuw hoofdstuk Baptist Generals op. Inderdaad, No Silver/No Gold (Munich) maar eerder weerbarstig oud ijzer met schitterende roestkleuren, oermuziek die terugvoert naar de pioniersjaren van Alan Lomax of zoals je wilt, de indianen in het Wilde Westen. Gaat deze Texaanse huivermuziek ervaren op Take Root op zaterdag 5 oktober!
THE YEARLINGS



Alt Country NL is onderhand volwassen. Ad van Meurs (singer-songwriter) Hillbilly Boogiemen (muzikaal vernuft), Lazy Sunday Dream (rootsgevoel) en JW Roy (countryrockkoning) vormen het bewijs. En nu is er dan het langverwachte debuut van The Yearlings, een talentvol combo dat het beste bevat van de hierboven genoemde bands en artiesten en dat vertaalt in liedjes met veel country- en rockgevoel. Meest opvallend op het titelloze debuut (Sonic Rendezvous) is de wisselwerking tussen de vier (!) gitaren - inclusief de pedal steel van Rene van Barneveld (ex-Urban Dance Squad) en de bij vlagen dominante slide van Bertram Mourits - met als contrast fraai-dromerige mini-koortjes. Het geeft The Yearlings een opvallend eigen geluid in een veelbeproefd genre sinds Uncle Tupelo de trend zette. Stevige rocksongs, slepende midtempo tunes, vrolijke akoestische rootsliedjes en af en toe een gevoelige ballad zorgen voor volop variatie met veel muzikaal avontuur. En of dat nog niet alles is: op de catchy gitaarsongs Can Find Main Street en Poison Rain ontwaar ik zowaar het popgevoel van The Byrds en R.E.M. oude stijl. Chapeau Yearlings! Foutloos is het plaatje trouwens niet. De productie is soms aan de brave kant en de paar ballads ontberen enige spanning. Dat brengt me tot de gedachte dat The Yearlings nog niet helemaal uitgerijpt zijn. Met een beetje meer ervaring (trek de stoute schoenen aan en vlieg naar Austin) en lef (iets meer power graag; en trek zo'n gitaarsolo aan het eind van Happiness toch lekker door!) gaat Nederlands nieuwe alt countrytrots wellicht grootse tijden tegemoet.
SHANNON LAWSON


Tekenen voor een major kan gevolgen hebben voor je geluid. Shannon Lawson vormt het bewijs. Deze nieuwkomer bulkt van het talent, als zanger en als liedjesschrijver. Helaas klinkt hij op Chase The Sun (MCA Nashville) vaak te commercieel gladgestreken - zoete ballads en AOR op Goodbye On A Bad Day - waardoor bij mij soms een klef smaakje blijft hangen. Hij trapt wel erg sterk af met het rootrockliedje This Old Heart en de knallende titeltrack, die beslist moet doordringen tot Hilverscum. Lawson leidde voorheen een bluegrass-combo en dat is hier terug te horen met een swingende mandoline en huilende dobro. Ook beproefde hij zijn geluk als blueszanger (hier aanwezig op Who's Your Daddy), voordat hij zich definitief settelde als singer-songwrtier met countryinslag. Zijn stem is erg krachtig, waarmee hij veel kanten uit kan, zoals hij ook laat horen. Op zijn best is hij wanneer hij zich de bluegrass van weleer herinnert en die in zijn liedjes stopt, zoals te horen op tempo-tune Bad Bad Bad. en op de voortreffelijk omgebouwde cover Let's Get It On van soulkoning van weleer Marvin Gaye. Voor Nashville-begrippen heeft Shannon Lawson een gedurfd album gemaakt, voor Alt Country Nl is dat net niet gedurfd genoeg.
THE RESENTMENTS




Enkele jaren geleden bezocht ik The Saxon Pub in Austin. Daar traden toen op een avond op Jon Dee Graham en Stephen Bruton. De twee spelen sinds 1999 ook regelmatig samen, verder aangevuld met Scrappy Jud Newcomb, Bruce Hughes en voorheen ook met "Mambo" John Treanor, de drummer die vorig jaar overleed aan kanker. Het huisorkest noemt zich The Resentments en getuige de vrolijke foto op de innersleeve zorgen ze voor daverende Texaanse feestjes. De luisteraar kan daar nu iets van proeven op Sunday Night Line-Up, (Blue Rose/Sonic Rendezvous) een cd met veel indrukwekkend gitaarwerk, verpakt in rootsmuziek die niet zelden oude bands al Little Feat en The Band in herinnering roept. Om de beurt mogen ze hun eigen liedjes ten gehore brengen, af en toe onderbroken met klinkende covers als Rhumba Boogie van Hank Snow, Careless Love (W.C. Handy), Volver (Los Lobos) en We Had It All (Ray Charles, Dolly Parton). Met het overlijden van Treanor heeft dit schijfje zowel iets weg van zowel een tribute- als ook een afscheidsplaat. Of zullen The Resentments een nieuwe drummer aantrekken en horen we spoedig meer van ze?
SLICK FIFTY SEVEN



John Pedigo (zang, gitaar) en Ward Richmond (zang, bas) startten Slick Fifty Seven mei 1998 in een oefenhok aan Lowest GREENVILLE Road in Dallas. Zoals dat bij bandjes gaat: wat wisselingen en dat de tijd rijp voor een demo, en een cd'tje. Twee om precies te zijn: Lo-Fi Lorraine & Her Bag of Tricks (1998) and Drunk Life (1999) The Ghost Of Bonnie Parker (Laughing Outlaw Records) is de nieuwe van dit countryrcock-punktrio dat van de herfst met Slobberbone zal rondtouren en ook Nederland zal aandoen (onder andere Maloe Melo in Amsterdam en Tom Tom in Heythuysen). Dat beloven wilde avonden te worden. Slick Fifty Seven zit nog meer dan Slobberbone geworteld in country. Daar wordt net als bij het gezelschap uit buurdorpje Denton punk en rock aan gekoppeld. Met als resultaat elf denderende liedjes boordevol drank, verdriet en lol en muzikaal avontuur, met als specialiteit tempo- en geluidswissslingen (mede dankzij Trey Pendergrass, the drummer boy) die werken als een Ajax-tornado in een smerige keuken. De gitaren knallen, de ritmesectie dendert en daar overheen op tijd een jankende pedal steel. Nu Slobberbone meer gaat opschuiven richting rock, kan Slick Fifty Seven het ontstane gat opvullen. De tijd is rijp. Geweldige plaat.
PETER WOLF




Peter Wolf kondigde zijn wederopstanding aan met Long Line, gevolgd door Fool's Parade, een droomplaat die schandelijk genoeg alleen in de importbakken te vinden is. De voormalige zanger van de J. Geils Band pende driftig verder, ter vervolmaking. Rock en soul had hij altijd al in zich en met ballads kon hij eveneens als de beste uit de voeten. Op Sleepless (Artemis) doet hij er een mandje blues, bluegrass en country bij, met als resultaat een allroundplaat met vele momenten van kippenvel. Bijvoorbeeld wanneer we Mick Jagger kermend horen meejammeren op rocksong Nothing But The Wheel. Of wanneer Keith Richards (gitaar/zang) en maatje van weleer Magic Dick (mondharmonica) van leer trekken op de botergeile jazzy bluestune Too Close Together. Verrassend is eveneens de gevoelige folkcountry op Something You Don't Want To Know, een duet met labelgenoot Steve Earle. In zijn uppie redt Wolf zich trouwens ook hoor. Een zee van tranen sublimeert hij tot passioneel gezongen en uitgevoerde liedjes, zoals het met toefjes soulblazers opgepepte trieste A Lot Of Good Ones Gone. Van de andere kant: het leven bloeit weer in onze vriend, getuige enkele lovesongs. Het eerder genoemde Too Close Together heeft de hijgbaarheidsfactor van Hey Negrita van The Rolling Stones en op vlinder-in-de-buik-liedjes als het bluesy Homework (oud-J Geils Bandnummer) en de ballad Never Like This Before zijn 's mans hormonen volkomen van streek. Ofwel Peter Wolf is Sleepless, van vreugde en van verdriet.
MARAH

Ik was gewaarschuwd. In interviews staken de broertjes Dave en Serge Bielanko nooit onder stoelen of banken fans te zijn van de broertjes Noel en Liam Gallagher. Ze lieten verder doorschemeren dat ze een rockplaat wilden maken. Ze verhuisden op een gegeven moment zelfs van Philadelphia naar Engeland om, jawel, met Oasis-producer Owen Morris de studio in te duiken. Een gewaarschuwd mens telt natuurlijk voor twee; niettemin zorgt Float Away With The Friday Nights Gods (Artemis) voor een cultuurshock. De bruisende melting pot van Kids In Philly is vervangen door bombastische rock a la Oasis met bloedarmoede (Float Away) of Marc Bolan zonder finesse (Revolution). In vroegere tijden zou een nummer als Soul een broeierig wervelwindje zijn geweest, in de nieuwe stijl is het een muur van geluid met door Morris akelig gladgestreken zangpartijen. En zo blijf je zoeken naar lichtpuntjes. People Of The Underground heeft een deugdelijk arrangement en Crying On The Airplane is zowaar een mooi dromerig liedje. Maar daarna slaat de overgeproduceerde bombast weer toe en zegt mijn cd-machine: Eject!
BLUE MOUNTAIN



HANDSOME FAMILY


Shuba's Tavern in Chicago nam een tijdje terug afscheid van twee bands: Blue Mountain (gestopt) en Handsome Family (verhuisd naar Albuquerque). In het ene geval (HS) levert dat een cd op met 25 tunes, in het andere geval (BM) een dubbel-cd met in totaal 21 liedjes. Weinig verschil dus.
Qua aantal dan, niet qua muziek. Want komt HF op de proppen met een weirde vorm van country. BM speelt rock gedoopt in country en blues. Blue Mountain heeft inmiddels tal van jonge (punk)bands bekeerd tot de country en daar mogen we Cary Hudson, Laurie Stirratt en Ted Gainey eeuwig dankbaar voor zijn. Tonight It's Now Or Never laat een dwarsdoorsnede horen vanaf halverwege de jaren negentig, toen de song Jimmie Carter het levenslicht zag. Na afwisselend gestoeid te hebben met rock, roots en ballads, wordt vroeg op cd 2 de finale ingezet. En wel met het onweerstaanbare Soul Sister, dat later overtroffen zal worden door de met Ierse folk doorspekte rootsrocksong Rye Whiskey. Tegen die tijd zit je te hoppen op het bankstel en voel je je thuis in het broeierig-rokerige Shubas, zeg maar de Tom Tom van Chicago. Fans van het eerste uur zullen dit een meer dan waardig afscheid vinden.
BM live is van eind vorig jaar, die van Handsome Family is een jaar eerder opgenomen. De bariton-stem van Brett Sparks komt met door de echo-machine goed uit de verf, ook al klinkt zijn gitaar niet honderd procent zuiver. Het geluid is sober, maar toch vol genoeg met diens gitaar en de bas, melodica en ritmebox van eega Rennie die tussen de liidjes door voor vrolijk vertel-entertainment zorgt met weirde vertelsels, zeg maar zoals haar songteksten ook zijn. Ook op Live At Shuba's Tavern een samenvatting van eerdere albums (In The Air, Through The Trees en Milk and Scissors en heel mondjesmaat Twilight), en daardoor, afgezien van de stralende humor, een beetje te gewoontjes. Maar de liedjes zijn wel heel goed nagespeeld (afgezien van hier en daar een mislukte not), zodat het lijkt dat we hier niet alleen te maken hebben met het afscheidsalbum, maar tevens met een best of-cd. Hetgeen mij het gevoel geeft dat Brett en Rennie Sparks een nieuwe start gaan maken in het zonnige zuiden, ver weg van de ijskoude, gure winters in Chicago. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
GO GO MARKET



Stephanie Finch is de vrouw van Chuck Prophet. Beiden maken muziek, met Finch normaal gesproken in de schaduw van haar echtgenoot. Maar op San Jose Hotel (Innerstate) draaien ze de rollen om. Finch schreef negen van de tien nummers, door Prophet op diens typische wijze vastgelegd. Wie de platen van het ex-Green On Red-bandlid kent weet wat Alt Country NL bedoelt. Prophet houdt ervan een liedje op te tuigen met een aparte gitaarlijn, gekke bliebjes en gescratch. Internationaal worden vergelijkingen gemaakt met The Cardigans (pop) en Dusty Springfield (soul) en bij die mix kan ik me wel wat voorstellen. De cd bevat originele liedjes, soms slow, soms sneller en soms danceable. De funky opener met popknipoog Channel 9 had niet misstaan op de laatste solo-cd van Prophet. Rainmaker is aanstekelijke dance-pop, Him zorgt voor de klassieke noot, dance komt voorbij op het ironische Woman's Magazine en Dead, waarna we country en roots horen op Guess I Wasn't Smart en Annie Oakley. Afgesloten wordt met een mix van broeierige slow dance en desertrock, een passend slot op en dit avontuurlijke underground schijfje.
MARK BARFIELD



Wat krijg je als je Hank Williams bestuift met James Brown, Chubby Checker, Lester Butler, Otis Redding en Chuck Berry? Mark Barfield. Zegt de naam je niets? Wel, de blanke pit maakt (of is het maakte?) deel uit van The Hollisters, een swingend countryockcombo uit Texas dat het schopte tot Blue Highways. Living Stereo (Tater Tot Records) heet het schijfje dat vol staat met een mix van ruwe soul, pittige rock 'n roll, dansbare swing-jazz, zompige blues, tranentrekkende country en oerruige gospel. Oude muziek die fris als een hoentje klinkt. De zanger/gitarist met de cowboyhoed krijgt steun van gitarist Nick Curran, drummer Jim Christie (Eliza Gilkyson, Dwight Yoakam), gospelkoortje The Gospel Motions en nog een legertje gastmuzikanten die er een waar feest van maken. En dat is wat Barfiel ook voor ogen had toen hij de studio in dook. Vandaar ook dat hij eigen tunes afwisselt met oude, vergeten glorie. Zo horen we She's a Yum Yum van countrylegende Dallas Frazier, gevolgd door Signed, Sealed and Delivered van James Brown. En You Got What it Takes van southern soulzanger Joe Tex naast popmuziek van bijna een eeuw oud van Sam Coslow (Tomorrow Night). Met daartussen vervlecht zijn eigen nummers, die er wonderwel goed bij passen. Een pittig-krokant plaatje van een bleekscheet met donker bloed dat het goed doet bij je bruine kroeg om de hoek. Verkrijgbaar via Miles Of Music.
JAMES MCMURTRY



James McMurtry is onlosmakelijk verbonden aan John Mellencamp. McMurtry leverde de muziek voor een film van zijn vader, directed door....Mellencamp. De zanger/gewezen (?) filmster was diep onder de indruk van de filmmuziek en produceerde prompt het debuut van de Texaanse singer-songwriter, Too Long In The Wasteland, uit 1989. Het sterke debuut leverde hem een fikse aanhang op, trouwe fans die gedwee zijn platen komen, ook al waren die de laatste jaren niet allemaal even sterk. Maar Saint Mary Of The Woods (Sugar Hill) is ouderwets goed. En dat betekent dat we een sound krijgen voorsgeschoteld die van alles een beetje heeft. Dylan duidelijk, dus ook Springsteen en Mellencamp. En ZZ Top, Guy Clark, ofwel Texaanse rootsmuziek geolied in country. Dat, inclusief de donkere dramatisch getinte stem, maakt McMurtry. Wat zijn nieuwe cd beter maakt dan de vorige? Het is net of de troubadour een nieuwe start maakt, zo fris klinkt hij. En kennelijk voelen de muzikanten om hem heen dat aan. Niet de minste muzikanten trouwens. De sleeve geeft ons de namen van David Grissom (gitaar), Ian Mclachlan (orgel), Ronnie Johnson (bas) en Stephen Bruton (gitaar). McMurtry is de artiest die de wereld van de zijkant oberveert en kritiseert en zichzelf emotioneel laat meeslepen in gevoelens van verdriet, geluk en liefde. Dat resulteert in het klassieke aantal van tien liedjes, allemaal (ver) boven het gemiddelde niveau in singer-songwritersland. Het zou gek zijn als we hier geen 11-9-link zouden horen. Gulf Road luidt de titel, geschreven voor de fatale datum, maar daarna pas opgenomen. Wat was er aan de hand? De sessie was geboekt. maar de drummer kon niet komen opdagen omdat de vliegtuigen niet mochten opstijgen. Dat kon pas enkele weken later. Gulf Road was het enige liedje van die sessie, ofwel zoals McMurtry droogjes opmerkt: "It's our little triumph over Bin Laden." De liefhebbers van kruidige en tegelijk gevoelige rootsrock met een mandje folk zullen in hun nopjes zijn met Saint Mary Of The Woods. Zoals jullie geliefde Alt Country NL. Releasedatum: 12 september.
GUY CLARK




AANSCHAFFEN
Meer hoef ik eigenlijk niet te schrijven over de nieuwe cd van Guy Clark. Alle alt country liefhebbers weten hoe zijn stem klinkt en zijn gitaar. En dat hij geen slecht liedje schrijft, in ieder geval sinds Cold Dog Soup, de voorganger van The Dark (Sugar Hill), zoals zijn nieuwe cd heet. In feite vormen de twee cd's een twee-eenheid (mogelijk gevolgd door de drie-eenheid!), want qua opzet zijn er nauwelijks verschillen te signaleren. Clark zingt met heerlijk gruis op zijn stem, speelt zelf gitaar, en laat zich fantastisch mooi bijstaan door een select gezelschap. Verlon Thompson laat de gitarensnaren rinkelen en blaast liefdevol op de mondharmonica, Darrell Scott betovert zowel dobro als mandoline als en Shawn Camp, Chris Latham en Tim O'Brien doen de sprankelende viool. Hier en daar wordt wat van muzikale toestellen gewisseld en op Arizona Star horen we plots Gillian Welch en compaan Dave Rawlings voorbij komen. Dat is het zo'n beetje, met een geluid dat zowel counry, blues en folk in zich heeft. Ook de thematiek klinkt vertrouwd. Liefde en liefdesverdriet, welgemeende maatschappijkritiek en indrukwekkende storyteling in de traditie van meester Townes van Zandt, van wie Clark hier tegen het eind Rex's Blues covert. En ook hier klinkt weer de (pikdonkere) echo van 11-9. Zoals we daar Clark horen op de titeltrack: 'One way or another, we're all in the dark'. Is het potverdorie toch nog een verhaaltje geworden: aanschaffen! Releasedatum 10 september.
ED ALKALAY


Alkalay is pronounced Alkali - like the battery
Ed Batterij houdt wel van een grapje. Alkalay is een singer-songwriter uit Washington DC, die op de proppen komt met twaalf tracks op zijn tweede cd Turning Dorian Gray (eigen beheer). Zijn tweede ja, al zullen er weinigen onder ons zeggen dat ze hem in het cd-rek hebben staan. Alkalay studeerde Engels en filosofie en schreef klassieke muziek. Af en toe krijgt hij het op zijn heupen en voelt hij Greenwich Village in zijn knoken en moet er rootsmuziek worden gemaakt. Turning Dorian Gray is het resultaat van een creatieve eruptie. Alkalay schrijft keurige liedjes die vooral het verleden oproepen - rock 'n roll circa Buddy Holly, folk a la 1965, oude blues en jazz -, zonder zich daarbij vast te pinnen aan een bepaalde stijl. Soms klinkt hij inderdaad folk, soms country, soms rock en blues en meestal als een mix waardoor hij klinkt als....Ed Alkalay. Wat we ons daar bij moeten voorstellen? Een goed verzorgde baritonstem, wel articulerend, en ondersteund door fraai akoestisch gitaarwerk (en niet te vergeten de banjo). Daarmee doet hij wel eens denken aan The Proclaimers van weleer. Zo diep zitter de voorvaderen kennelijk in zijn aderen. Moet hem eens vragen of overgrootvader soms uit Schotland komt, of uit Ierland. Een van de twee, zeker weten. Aanbevolen voor folkies! Verkrijgbaar via CD Baby.
BLUFF CITY BACKSLIDERS



'I fell asleep listening to this cd and dreamed I was drunk in a whorehouse'
Aldus producer/muzikant Jim Dickinson na beluistering van de debuut-cd (Yellow Dog Records) van het combo uit Memphis met de fraai-bizarre naam. Ik kan me wel iets voorstellen bij de lovende woorden die Dickenson schreef op de inner sleeve. De plezierband maakt een diepe sprong in history met een mix van mountainmuziek, jazz, dixieland, blues en bluegrass, resulterend in traditionals en covers die al 75 jaar niet meer gespeeld zijn. En dat spelen doen de acht muzikanten hier op aparte, voorbeeldige wijze. Als zij de blues spelen, dan hoor je niet de vertrouwde snerpende elektrische gitaar, maar plukjes banjo, een pompende tuba en een krassende viool rond een akoestische 12 bar bluesgitaar en de lekker weinig verzorgde stem van Jason Freeman ('throaty vocals', aldus de sleeve), die de ongedwongen omfloerste sfeer completeert. De line up vertelt in feite hoe dit gezelschap klinkt. Memphis Graber horen we op 'dog-bite mandolin, barking kazoo & sweeter harmony', Mike 'Trombone' Powers speelt fraai 'sliding sonorous metal mating calls'. John C. Stubblefield 'extra large fiddle', Adam 'Wigglehead Woodard 'stride & strut keys', Mark Lemhouse (let op) 'slide and lap-style guitar that makes ex-convicts cry & sweet harmony' en tot slot 'Blind Dog' Clint Wagner 'high dollar fiddle, vamping banjo & well swung guitar'. Er is geen woord van misplaatst, want de twaalf tracks swingen, huilen, lamenteren, dromen en kunnen de luisteraar aanzetten tot een onbeperkt zuipen. Dat deed gegarandeerd Jim Dickinson, voordat hij wegdompelde in het Memphis whorehouse.
KIMMIE RHODES



Kimme Rhodes komt uit het befaamde Texaanse muziekstadje Lubbock, maar woont sinds 1979 al in Austin, waar zij met enige regelmaat platen maakt. Bekend bij een kleine schare fans aan deze kans van de natte plassen, in Amerika op handen gedragen door collega's die maar al te graag liedjes van Rhodes coveren. Waarom wordt duidelijk op Love Me Like A Song (Sunbird), de opvolger van Rich From The Journey uit 2000. Ze schrijft liedjes met een kop en een staart en allemaal verschillend van elkaar. De variatie is echt opvallend. Rhodes zingt enkele dromerig-donker getinte liedjes aan het begin (Darkness Lifting, I Have Everything en Only Love Can Save Me Now), waarna ze overschakelt op enkele duetten, de highlights van deze cd. Allereerst de titeltrack met oude vriend Willie Nelson, gevolgd door het gevoelig-romantische Sent Me The Sun met Emmylou Harris en Beth Nielsen Chapman. Daarna zoekt Rhodes nadrukkelijk het avontuur op met een ware bluessong Midnight Song (ruim zes minuten!), de jazzy nachtclubnoot Play Me A Memory en zowaar hoempamuziek (Louis World). Om te eindigen met een mix luisterliedjes zoals in het begin en duetten (Nelson en Harris opnieuw en Benmont Tench). November December is uitgekiend frivool chansonwerk. En tot slot dat duet met Tench, The One To Walk You Home, een door piano gedreven lovetune, zo mierzoet gezongen, maar tegelijk zo overtuigend eenvoudig dat je er vanzelf van gaat houden. Oh ja, het hoesje mag er ook zijn. Alleen jammer dat de songsteksten niet zijn bijgesloten.
MARTIN DEVANEY


Martin Devaney is het zoveelste voorbeeld van een singer-songwriter die via een omweg verslingerd raakt aan rootsmuziek. Hij speelde in tal van bands waarbij hij stijlen als hiphop en jazz niet schuwde. Tegenwoordig heeft de liedjesschrijver uit St Paul, Minnesota, een eigen band die zijn liedjes speelt. Whatever that Is luidde het voorzichtige debuut van twee jaar geleden, waarvan ik opmaak via de bijsluiter dat het een mini-cd was. Nu is er dan het 'grote debuut; getiteld Somebody Somwhere. Het is een dromerige plaat, althans op grote delen met titels als 14th Avenue Lullaby en Bowling on Valentine's Day, waarbij zijn hoge, ietwat iele stem goed tot zijn recht komt. Devaney is in love, en ziet zijn lief in andermans armen vallen, dat soort liedjes schrijft hij, inclusief een portie storytelling. De toon is een combinatie van folk, rock, pop en een beetje country (de treurige titeltrack), met af en toe een wildere noot (Things To Come, Losin' End). En terwijl ik dit opschrijf komt de oude liefde, jazz, plots voorbij via een gitaarsolo op Down In Middletown. De nummers zijn zonder poespas opgenomen, en ik denk zelfs in een ruk getuige het geluid dat tamelijk lofi is. Het maakt van Somebody Somewhere geen wereldplaat, maar wel een sympathieke plaat.
DOLLY PARTON


Hoeveel platen zullen de komende tijd geinspireerd zijn door 11-9? De nieuwe van Bruce Springsteen overduidelijk. Zo ook Halos & Horns (Sugar Hill) van Dolly Parton. Op Hello God horen we haar vertwijfeld zingen en smeken om een betere wereld. Haar nieuwe cd wijkt iets af van de twee superieure voorgangers (Little Sparrow en The Grass Is Blue). Ging het de vorige keren vooral om muzikaal vakmanschap, nu staat veel meer het liedje centraal. En dat vind ik een beetje jammer. Want dat vond ik nou een ideale combinatie: veel snarengeklater rond dat typische kindstemmetje van haar. Ook zonder het geklater blijven de liedjes overeind, alleen iets minder. Inspiratie put ze uit tal van dingen. 11 september is genoemd. Shattered Image is haar afrekening met kwaadsprekers over haar, die bijvoorbeeld grapjes maken over haar omvangrijke boezem. The Old Bones is een grappige mountainsong waarop we haar haar moeder horen imiteren. Parton doet wat ze nodig acht zonder zich iets aan te trekken van anderen. Daarom ook twee opvallende covers tussen de veertien tracks. If van Bread, en nog gekker Stairway To Heaven. Een liedje dat vrijwel niet in een ander jasje te steken valt, want telkens dringt zich toch die stem van Robert Plant op. Daar kan ook Parton niets aan veranderen. Conclusie: een moedige plaat, niet altijd even geslaagd en met iets minder muzikale hoogstandjes - de gospel-blue grass-blues van de song John Daniel is een verademing - dan we de laatste tijd van haar gewend zijn.